ECLI:NL:GHSGR:2002:AF2539

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
093-R-02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Labohm
  • De Bruijn-Lückers
  • Ydema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake alimentatieverplichting na echtscheiding

De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin de echtscheiding werd uitgesproken en alimentatie aan de vrouw werd toegewezen. De vrouw had aanvankelijk een verzoek tot voorlopige voorzieningen ingediend, dat zij later introk, en vervolgens een verzoek tot echtscheiding met alimentatieverzoek ingediend. De man was in eerste aanleg niet verschenen.

In het hoger beroep heeft de vrouw geen verweerschrift ingediend en is niet verschenen, maar haar advocaat heeft verklaard dat zij zich op het verzoek van de man beroept. De man verzocht de vernietiging van de beschikking en het vaststellen van de alimentatie op nihil.

Het hof oordeelt dat de vrouw zich heeft gerefereerd aan het verzoek van de man en wijst het verzoek van de vrouw af. De reeds door de vrouw ontvangen alimentatie hoeft niet te worden terugbetaald vanwege het consumptieve karakter. Het hof benadrukt dat het verweer in de voorlopige voorziening niet automatisch geldt in de hoofdprocedure, omdat het een andere belangenafweging betreft.

Het hof vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de alimentatie betreft en wijst het verzoek van de vrouw af. De echtscheiding blijft gehandhaafd zoals uitgesproken door de rechtbank.

Uitkomst: De alimentatieverplichting van de man aan de vrouw wordt op nihil gesteld en reeds betaalde alimentatie hoeft niet te worden terugbetaald.

Uitspraak

Uitspraak : 13 november 2002
Rekestnummer : 93-R-02
Rekestnr. rechtbank : FA RK 01-4947
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellant],
wonende te [X],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. E.J.W.F. Deen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [X],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. T.G. Brown-Knip.
PROCESVERLOOP
De man is op 5 februari 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 21 januari 2002.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man zijn op 20 februari 2002 en 16 september 2002 bij het hof aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vrouw is bij het hof een brief ingekomen, gedateerd 19 september 2002.
Op 20 september 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en mr. C.W.F. Jansen, de advocaat van de vrouw. De vrouw is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw medegedeeld dat de vrouw zich refereert aan het verzoek van de man.
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.
De man en de vrouw zijn [in] 1999 met elkaar gehuwd.
Op 2 oktober 2001 heeft de vrouw bij de rechtbank te Rotterdam in het kader van voorlopige voorzieningen verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een alimentatie dient te betalen van ƒ 750,- (€ 340,34) per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek voorlopige voorzieningen van de vrouw heeft de man verweer gevoerd. Vervolgens heeft de vrouw dit verzoek ingetrokken.
Op eveneens 2 oktober 2001 heeft de vrouw bij de rechtbank te Rotterdam een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft onder meer verzocht te bepalen dat de man een alimentatie aan de vrouw dient te betalen van ƒ 750,- (€ 340,34) per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. De man is in eerste aanleg niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken die op 2 juli 2002 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van alimentatie toegewezen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de door de man te betalen alimentatie voor de vrouw op nihil te stellen.
2. Nu de vrouw zich ten aanzien van het verzoek van de man heeft gerefereerd zal het hof dienovereenkomstig beslissen.
3. De tot op heden door de vrouw van de man ontvangen alimentatie hoeft de vrouw gelet op het consumptief karakter ervan niet terug te betalen.
4. Ten overvloede merkt het hof op dat de veronderstelling van de man dat zijn verweer gevoerd in de procedure voorlopige voorzieningen automatisch ook geldt in de hoofdprocedure, onjuist is. Een voorlopige voorziening is immers een ordemaatregel en in de hoofdprocedure wordt een andere belangenafweging gemaakt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oor-deel van het hof onder-worpen en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:
wijst het inleidende verzoek van de vrouw alsnog af;
bepaalt dat de vrouw de tot op heden van de man ontvangen alimentatie niet aan hem hoeft terug te betalen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, De Bruijn-Lückers en Ydema, bijge-staan door A. Snel als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 13 november 2002.