ECLI:NL:GHSGR:2002:AF0712
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Ritter
- Van Boven
- Labohm
- Rechtspraak.nl
Veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf voor kindermoord door verdrinking pasgeboren kind
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens het opzettelijk van het leven beroven van haar pasgeboren kind door het in het water te gooien, waarna het kind verdronk. Tegen dit vonnis stelde zij hoger beroep in. Tijdens het hoger beroep voerde de raadsman van de verdachte aan dat zij handelde uit psychische overmacht vanwege de angst dat haar familie en de Somalische gemeenschap haar zwangerschap zouden ontdekken. Dit verweer werd door het hof verworpen omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk waren die dit konden ondersteunen.
Het hof achtte het bewezen dat de verdachte kort na de geboorte van haar kind, op 31 januari 2001 te Rotterdam, het kind opzettelijk heeft doen verdrinken in de Binnenhaven. De verdachte handelde uit eigen belang om de zwangerschap en geboorte te verbergen, ondanks dat een uit ongehuwde moeder geboren kind binnen haar gemeenschap wel afgestaan kon worden. Diverse rapporten, waaronder van het Nederlands Forensisch Instituut en forensisch psychiaters, werden in het bewijs betrokken en als duidelijk en ondubbelzinnig beoordeeld.
De verdediging had verzocht het NFI-rapport uit te sluiten, maar het hof wees dit af omdat het rapport en de beantwoording van vragen door de deskundige voldoende duidelijk waren. Het hof hield rekening met het feit dat de verdachte niet eerder was veroordeeld en bepaalde dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar passend was. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze strafoplegging.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens kindermoord.