ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8578
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Pannekoek-Dubois
- Duindam
- Labohm
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake gezag minderjarige met verblijfplaats Iran
De zaak betreft een geschil over het ouderlijk gezag van een minderjarige geboren in Istanbul in 1988, die sinds 1998 in Nederland verbleef maar in november 1999 door de vader naar familie in Iran werd gestuurd. De vader verzocht de Nederlandse rechter om hem met het gezag te belasten, maar de rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige inmiddels buiten Nederland lag.
Het hof overweegt dat het belang van de minderjarige het best gediend wordt door de rechter van diens gewone verblijfplaats. Hoewel het Haags Kinderbeschermingsverdrag niet van toepassing is omdat Iran geen verdragspartij is, past het hof de hoofdregel van het verdrag analoog toe. Gezien de langdurige en voortdurende verblijfplaats van de minderjarige in Iran, en het feit dat het pleeggezin geen stappen heeft ondernomen om hem terug te halen, is Iran de gewone verblijfplaats geworden.
De vader voerde aan dat de minderjarige op het moment van het verzoek in Nederland verbleef en geïntegreerd was, maar het hof stelt dat de verandering van verblijfplaats ook na aanvang van de procedure leidt tot overgang van bevoegdheid. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot gezagsverlening.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om over het gezag van de minderjarige te beslissen omdat diens gewone verblijfplaats Iran is geworden.