ECLI:NL:GHSGR:2002:AE3610
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Labohm
- De Bruijn-Lückers
- Zeven-Postma
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot voorlopige voorzieningen alimentatie na echtscheidingsbeschikking
De man verzocht het hof om voorlopige voorzieningen te treffen met betrekking tot de alimentatie die hij aan de vrouw moest betalen, en om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een eerdere beschikking te schorsen. De vrouw diende een verweerschrift in en de zaak werd mondeling behandeld op 10 april 2002.
De feiten wezen uit dat de rechtbank eerder voorlopige voorzieningen had vastgesteld waarbij de man een alimentatiebedrag van ƒ 8.000,- per maand moest betalen. Later werd de echtscheiding uitgesproken en werd de alimentatie verhoogd naar ƒ 11.000,- per maand, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 5 februari 2002.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 826 Rv Pro de voorlopige voorzieningen hun kracht verliezen zodra de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven en voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Omdat dit het geval was, kon het verzoek tot voorlopige voorzieningen niet-ontvankelijk worden verklaard. De schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad deed hieraan niet af, en er was ook geen sprake van gewijzigde omstandigheden die een wijziging van de voorlopige voorzieningen rechtvaardigden.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzoek tot voorlopige voorzieningen niet-ontvankelijk omdat de echtscheidingsbeschikking voor tenuitvoerlegging vatbaar was.