ECLI:NL:GHSGR:2001:AB1789

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/523
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
  • Vrij
  • Von Brucken Fock
  • De Brauw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53 RvArt. 429p lid 2 RvArt. 351 Rv (wetsvoorstel)Art. 129 lid 1 ROArt. 68 Grondwet
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in kort geding over schorsing uitvoerbaarheid bevelen inzake BVD-gegevens

De Staat der Nederlanden is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de president van de rechtbank Den Haag in een kort geding tussen de Staat en Mink K. De Staat verzocht schorsing van de uitvoerbaarheid van twee bevelen: het eerste verbiedt mededelingen over gesprekken tussen Mink K. en het OM zonder toestemming, het tweede beveelt vernietiging van alle BVD-gegevens over deze gesprekken.

De Staat stelde dat het eerste bevel de minister belemmert om de Tweede Kamer adequaat te informeren, en dat het tweede bevel tot onherstelbaar verlies van staatsbelangrijke gegevens leidt. Mink K. betwistte de ontvankelijkheid van de Staat in het incident.

Het hof oordeelde dat schorsing van de uitvoerbaarheid bij incidentele vordering in hoger beroep mogelijk is en dat de belangenafweging moet leiden tot het bevriezen van de status quo. Het eerste bevel werd niet geschorst omdat de Staat onvoldoende aannemelijk maakte dat de mededelingsplicht niet kan worden opgeschort. Het tweede bevel werd wel geschorst vanwege het onomkeerbare karakter van vernietiging van gegevens.

Het hof handhaafde het verbod op mededelingen aan derden behalve het OM en stelde dat de Staat bij nieuwe feiten opnieuw schorsing kan vorderen. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het hof schorst de uitvoering van het bevel tot vernietiging van BVD-gegevens en handhaaft het verbod op mededelingen zonder toestemming.

Uitspraak

Uitspraak: 23 mei 2001
Rolnummer: C 01/523
Rolnr. Rechtbank: KG 01/538
HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende incidentele arrest gewezen in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
zetelende te 's-Gravenhage,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: de Staat,
procureur: mr. G.J.H. Houtzagers,
tegen
MINK K.,
wonende te [verblijfplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
procureur: mr. G.R. van der Plas.
Het geding
Bij exploot van 15 mei 2001 is de Staat onder intrekking van een op 11 mei 2001 uitgebrachte appeldagvaarding in hoger beroep gekomen van het vonnis, in kort geding door de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 9 mei 2001 tussen [Mink K.] als eiser en de Staat als gedaagde gewezen. De zaak wordt als spoedappel behandeld.
De Staat heeft daarna ter rolle van het hof van 16 mei 2001, waartegen de zaak was aangebracht, bij incidentele conclusie bij wege van voorlopige voorziening gevorderd te schorsen "de verklaring als beschreven in het dictum van voornoemd vonnis, op grond waarvan de daarin opgenomen bevelen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, tot de datum waarop door het hof arrest wordt gewezen in het door de Staat ingestelde hoger beroep." [Mink K.] heeft ter rolle van dezelfde dag daarop bij incidentele conclusie van antwoord gereageerd.
Op 16 mei 2001 hebben partijen, de Staat bij monde van zijn procureur en [Mink K.] bij monde van zijn raadsman Mr. P.H. Bakker Schut, advocaat te Amsterdam, hun standpunten over de door de Staat gevorderde voorziening in het incident doen bepleiten, Mr. G.H.J. Houtzagers onder overlegging van een pleitnota. Mr. P.H. Bakker Schut heeft namens [Mink K.] verklaard ermee in te stemmen dat de Staat de in het bestreden vonnis gegeven bevelen niet ten uitvoer legt totdat het Hof uitspraak zal hebben gedaan in het onderhavige incident.
Vervolgens hebben partijen stukken gefourneerd en arrest in het incident gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep in het incident
1. De vordering van de Staat strekt tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de door president van de rechtbank gegeven bevelen, inhoudende:
Bevel 1: Beveelt gedaagde sub 1 (de Staat, hof) om geen mededelingen te doen aan anderen dan het OM over de inhoud van de op basis van de overeenkomst gevoerde gesprekken tussen eiser en de officier van justitie Teeven, behoudens in het geval eiser hiervoor schriftelijk toestemming heeft verleend.
Bevel 2: Beveelt gedaagde sub 1 (de Staat, hof) ervoor zorg te dragen dat binnen een week na betekening van dit vonnis in kort geding alle aantekeningen, gespreksverslagen, documenten, kopieën, digitale gegevens etc. in het bezit van en / of (op)gemaakt en / of ingevoerd door functionarissen van de BVD naar aanleiding van hun bemoeienis met de overeenkomst en / of met de op basis daarvan gevoerde gesprekken tussen eiser en de officier van justitie Teeven, zullen worden vernietigd respectievelijk gewist zonder dat van enig onderdeel daarvan een kopie in welke vorm dan ook zal worden behouden.
2. De Staat heeft gesteld dat de beide bevelen staatsrechtelijk gezien zeer ingrijpende gevolgen hebben. Het eerste bevel maakt het voor het Openbaar Ministerie niet meer mogelijk over de met [Mink K.] gesloten overeenkomst mededelingen te doen aan de verantwoordelijke Minister met als gevolg dat de Minister van Justitie de Tweede Kamer niet of onvoldoende kan inlichten, tot het geven van welke inlichtingen hij in het licht van zijn ministeriële verantwoordelijkheid is gehouden. In dat verband voert de Staat aan dat in een op verzoek van de Tweede Kamer te houden algemeen overleg over de gevolgen van het arrest van een van de strafkamers van het Amsterdamse gerechtshof tegen [Mink K.] van 17 april 2001, vragen kunnen worden gesteld over de besprekingen tussen [Mink K.] en het OM en dat bevel 1 de Minister belemmert daarop te antwoorden.
Het bezwaar van de Staat tegen (de tenuitvoerlegging van het vonnis van de president met betrekking tot) het tweede bevel houdt in dat de vernietiging van alle in dit bevel bedoelde gegevens bij (functionarissen van) de BVD over de gesprekken tussen het OM en [Mink K.] en in aansluiting daarop door de BVD zelf vergaarde informatie, leidt tot een situatie die in het geval dat het bevel in hoger beroep geen stand houdt niet of niet volledig meer is te herstellen.
3. [Mink K.] heeft in de eerste plaats aangevoerd, dat de Staat in zijn incidentele vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze niet op de wet of het recht is gegrond. Het hof verwerpt dat verweer. Hoewel artikel 53 Rv Pro. slechts voorziet in de mogelijkheid een niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in hoger beroep bij incidentele vordering alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en hoewel in de doctrine er wel van wordt uitgegaan dat de schorsing van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad slechts als executiegeschil bij de (president van de) rechtbank kan worden gevorderd, is het hof van oordeel, dat ook bij wege van een incidentele vordering in hoger beroep de schorsing van een dergelijk vonnis kan worden gevorderd.
4. De wet verbiedt zodanige vordering niet. Er is volgens het hof geen genoegzame reden om voor dagvaardingsprocedures in geval van een incidentele vordering op dit punt een andere regel te aanvaarden dan artikel 429p lid 2 Rv. voor verzoekschriftprocedures kent, welke bepaling de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in hoger beroep uitdrukkelijk mogelijk maakt. Bovendien is ook in het Wetsvoorstel 26855 (Herziening van het procesrecht voor burgerlijk zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg), dat reeds door de Tweede Kamer is aangenomen en thans - in gewijzigde vorm - in behandeling is bij de Eerste Kamer en waarvan wordt verwacht dat dat het op 1 januari 2002 in werking zal treden, artikel 351 opgenomen Pro, dat zal luiden:
"Indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan de hogere rechter op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging van het vonnis schorsen."
Die bepaling wordt in de Memorie van Toelichting toegelicht als volgt:
" bij nader inzien was die schrapping (artikel 352 oud Pro Rv, Hof) minder gelukkig. Het is niet doelmatig wanneer men, eenmaal in hoger beroep gekomen of in geval van een voornemen daartoe, gedwongen is om een apart kort geding bij de president van de rechtbank aanhangig te maken enkel en alleen om de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad te vorderen. De in artikel 2.11.7 (thans artikel 54 Rv Pro, Hof) opgenomen mogelijkheid om het stellen van de zekerheid te vorderen kan niet alle problemen voorkomen of ondervangen."
5. Voor de vraag of de werking van de in het bestreden vonnis gegeven bevelen moet worden geschorst totdat het hof in de hoofdzaak uitspraak doet, zal het hof de belangen van partijen afwegen bij handhaving en/of schorsing van die werking. Die belangenafweging moet leiden tot bevriezing van de status quo totdat het hof uitspraak zal doen, in die zin dat de thans bestaande situatie gehandhaafd blijft - aan bevel 1 is vooralsnog wèl en aan bevel 2 is nog geen uitvoering gegeven - en niet aan de te geven uitspraak van het hof feitelijke betekenis wordt ontnomen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat naar verwachting in de hoofdzaak na het pleidooi op 9 juli 2001 spoedig arrest zal worden gewezen en dat niet genoegzaam is aangetoond dat aan het veiligheidsbelang van [Mink K.], mede gelet op zijn huidige verblijfplaats, door deze schorsing afbreuk zal worden gedaan.
6. Wat het eerste bevel betreft - het verbod om aan anderen dan het OM mededelingen te doen - geldt dat schorsing kan leiden tot niet meer ongedaan te maken verspreiding van feiten die volgens het vonnis geheim moeten blijven. De Staat heeft zich beroepen op de mededelingsplicht van het college van procureurs-generaal aan de Minister van Justitie op grond van artikel 129 eerste Pro lid RO en van de Minister aan de Eerste en Tweede Kamer op grond van artikel 68 Grondwet Pro. Het hof acht echter met de door de Staat gestelde feiten niet aannemelijk gemaakt dat het doen van die mededelingen niet kan worden opgeschort tot na de uitspraak in de hoofdzaak. Mochten zich nieuwe feiten voordoen, waarvan het staatsbelang vordert dat door het bestreden vonnis verboden mededelingen (alsnog) worden gedaan, dan staat het de Staat vrij op grond van die nieuwe feiten alsnog bij de rechter schorsing van het eerste bevel te vorderen.
7. De Staat heeft met betrekking tot het tweede bevel wèl overwegend belang bij schorsing. De gevorderde vernietiging van bescheiden kan immers leiden tot het onomkeerbare gevolg, dat bepaalde gegevens, die al dan niet in combinatie met andere relevante gegevens in het bezit zijn van en / of (op)gemaakt en / of ingevoerd zijn door functionarissen van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en het staatsbelang c.q. de staatsveiligheid kunnen aangaan, bij het ten uitvoer leggen van het vonnis van de president definitief verloren gaan.
Het belang van [Mink K.], dat hangende de procedure in hoger beroep zonder diens schriftelijke toestemming geen mededelingen over de inhoud van de op basis van de overeenkomst gevoerde gesprekken tussen [Mink K.] en de officier van justitie Teeven door functionarissen van de BVD aan derden zullen worden gedaan, wordt volgens het hof voldoende beschermd door het bevel 1, waarvan de uitvoerbaarheid bij voorraad door het hof is gehandhaafd.
8. De slotsom is, dat de gevorderde schorsing ten aanzien van het eerste bevel zal worden geweigerd en ten aanzien van het tweede bevel zal worden toegewezen.
Beslissing
Het hof, rechtdoende in het incident:
- schorst de tenuitvoerlegging van het in het bestreden vonnis gegeven tweede bevel tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- houdt de uitspraak omtrent de kosten van het incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
- verwijst de zaak naar de rol van 28 juni 2001 voor memorie van antwoord in de hoofdzaak;
Dit arrest is gewezen door mrs. Vrij, Von Brucken Fock en De Brauw en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2001, in bijzijn van de griffier.