ECLI:NL:GHSGR:2001:AB1264
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Hehemann
- Fockema Andreae-Hartsuiker
- Pannekoek-Dubois
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en pensioenrechten na echtscheiding
In deze zaak staat de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap centraal, waarbij de man in hoger beroep komt tegen het vonnis van 17 maart 1997 van de rechtbank Rotterdam. Het hof bekrachtigt het tussenvonnis van 1994 en behandelt de grieven van beide partijen gezamenlijk.
De man vordert dat de vrouw de helft van de schuld aan de Postbank draagt, welke tijdens het huwelijk is aangegaan. Het hof oordeelt dat deze schuld conform artikel 1:94 lid 2 BW Pro in de gemeenschap valt en dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij niet medewetend was. Daarom dient zij de helft van de schuld, een bedrag van f 11.799,-, aan de man te betalen.
Daarnaast wordt de vordering van de vrouw tot uitkering van haar aandeel in de pensioenrechten van de man toegewezen, met verrekening van de schuld aan de Postbank, zodat de man slechts een klein bedrag hoeft te betalen. Andere vorderingen van de vrouw, zoals betaling van een bedrag voor een zeilboot en de helft van de overwaarde van de woning, worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vermeerdering van eis van de man met betrekking tot een schuld aan de ABN-AMRO wordt eveneens afgewezen.
Het hof vernietigt het vonnis van 1997, stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast, wijst verdere vorderingen af en compenseert de proceskosten tussen partijen, die voormalige echtgenoten zijn.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van 1997 en stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast met toedeling van de helft van de schuld aan de Postbank aan de vrouw en toewijzing van het pensioenrecht met verrekening.