ECLI:NL:GHSGR:2000:AB0134

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
5 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
176-H-00
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
  • Koning
  • Pannekoek-Dubois
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onbevoegdverklaring Nederlandse rechter in omgangsregeling wegens verblijf kind in Spanje

De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die zijn verzoek tot omgang met zijn zoon niet in behandeling nam wegens onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. De moeder en het kind verblijven sinds oktober 1997 in Spanje, hoewel zij formeel in Nederland zijn ingeschreven. De vader betwistte dit verblijf, maar kon dit niet overtuigend bewijzen.

Het hof heeft op basis van overgelegde documenten, waaronder schoolrapporten van een Spaanse school waar het kind sinds geruime tijd onderwijs volgt, vastgesteld dat het kind en de moeder hun gewone verblijfplaats in Spanje hebben. De frequentie van bezoeken aan Nederland door de moeder en het kind achtte het hof niet relevant voor de bevoegdheidsvraag.

Omdat Spanje partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961, is de Nederlandse rechter niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot omgangsregeling. Het hof heeft daarom de bestreden beschikking bekrachtigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onbevoegdverklaring van de Nederlandse rechter en wijst het verzoek tot omgang af.

Uitspraak

Uitspraak : 5 juli 2000
Rek.nr. : 176-H-00
Rek.nr. rb.: 99-3320
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vader],
wonende te [woonplaats vader],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. A.H. Westendorp.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[naam moeder],
wonende te [woonplaats moeder], verblijvende op een voor het hof onbekend adres in Spanje,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. C.M. Schouten.
PROCESVERLOOP
De vader is op 17 maart 2000 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 januari 2000 waarbij de rechtbank te 's-Gra-ven-hage, op een verzoek van de vader tot een omgangsre-geling met zijn zoon [naam kind] (hier-na: [naam kind]), geboren op 8 juni 1988, zich na verweer van de moe-der onbe-voegd heeft verklaard om van dat verzoek kennis te ne-men.
De moeder heeft een ver-weer-schrift ingediend.
Namens de vader is bij het hof een brief met bijlagen ingeko-men, geda-teerd 18 mei 2000.
Namens de moeder is bij het hof een brief ingekomen, gedateerd 19 mei 2000.
Van de raad voor de kinderbescherming te 's-Gravenhage is bij het hof een brief ingekomen gedateerd 26 mei 2000, onder meer inhou-dende dat de raad in deze zaak geen rapporten en/of adviezen heeft uitge-bracht.
Op 31 mei 2000 is de zaak mondeling behandeld. Als belang-hebbenden zijn verschenen: de vader en zijn procu-reur en de procureur van de moeder. [naam kind] en de moeder zijn, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet in persoon versche-nen.
VASTSTAANDE FEITEN
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de volgende feiten als niet of onvoldoende weersproken tussen de partijen vaststaan.
[naam kind] is geboren uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder. De vader heeft [naam kind] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [naam kind], die rechtens en feitelijk bij haar verblijft.
Bij beschikking van 18 oktober 1996 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage - met wijziging van haar beschikking van 25 ok-to-ber 1990 - de vader het recht op omgang met [naam kind] ontzegd voor een periode van twee jaar, welke periode op 18 oktober 1998 is verstreken.
DE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, die afhangt van de gewone verblijfplaats van [naam kind] in de zin van artikel 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 (het verdrag). De vader beroept zich op het [adres moeder] van de moeder; de moeder stelt dat de gewone verblijfplaats van haar en van [naam kind] in Spanje is.
2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoek tot omgang met [naam kind] alsnog toe te wijzen, kosten rechtens. De moeder verzoekt de bestreden be-schik-king te bekrachtigen.
3. De vader heeft ter terechtzitting erkend dat hij "van horen zeggen" weet dat de moeder en [naam kind] sinds oktober 1997 in Spanje ver-blijven, doch stelt dat voor hem dat verblijf niet vaststaat omdat bewijs daarvan voor hem ontbreekt, ter-wijl de moeder en [naam kind] in het Neder-landse bevol-kings-register staan inge-schre-ven en onge-veer vier maal per jaar een week lang Neder-land be-zoe-ken. Hij biedt bewijs door getui-gen aan van die bezoeken.
4. De moeder stelt dat zij, hoewel formeel domici-lie hebbend in Neder-land, sinds oktober 1997 met [naam kind] in Spanje ver-blijft, waar [naam kind] sinds-dien ook school gaat. Ter sta-ving zijn ter terechtzit-ting enkele documenten in kopie overgelegd. Volgens de moeder gaat zij gemid-deld eens per jaar met [naam kind] naar Neder-land voor een bezoek aan haar ouders.
5. Het hof concludeert op grond van deze documenten - waaron-der schoolrap-porten van [naam kind] van de cursus-jaren 1998-1999 en 1999-2000 van een Spaan-se school met goede cij-fers voor Spaans - dat [naam kind] sinds geruime tijd in Spanje school -gaat. Hiermee staat voor het hof vast dat de moeder en [naam kind] hun gewone ver-blijf in Spanje hebben.
6. Het bewijsaanbod van de vader ten aanzien van de frequentie van het bezoek van de moeder en [naam kind] aan Nederland, passeert het hof als niet ter zake dienende.
7. Aangezien ook Spanje partij is bij het Haagse Kinderbe-scher-mingsverdrag van 1961, is de Neder-landse rechter niet be-voegd om van het verzoek van de vader kennis te nemen. De bestreden be-schikking dient derhalve te worden bekrachtigd.
BESLISSING IN HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsui-ker, Koning en Panne-koek-Dubois, bijge-staan door mr. Oostveen als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re te-rechtzit-ting van 5 juli 2000.