ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9840
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- De Boer
- Gerritzen
- Kiers-Becking
- Rechtspraak.nl
Toepassing schuldsaneringsregeling na niet te kwader trouw zijn bij schuldenaangaan
Appellant X. had bij de rechtbank te Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat werd afgewezen op grond van het oordeel dat hij roekeloos had gehandeld en niet te goeder trouw was. X. stelde dat hij tijdens zijn studie diverse schulden had opgebouwd en dat het continue-krediet van ABN AMRO was gebruikt voor aflossing, materiële steun aan zijn ex-echtgenote, huisraad en vervolgstudie, met slechts een klein deel voor vakantie.
De rente en aflossing werden aanvankelijk betaald uit zijn inkomsten als kleuterleider. Problemen ontstonden pas na ziekte en ontslag, waardoor aflossingen stagneerden. Ook wees hij erop dat een substantieel deel van de schulden hoofdelijk aansprakelijk was met zijn partner, mevrouw Y., voor wie de schuldsaneringsregeling wel was uitgesproken.
Het hof oordeelde anders dan de rechtbank en stelde vast dat X. niet te kwader trouw was bij het aangaan van zijn schulden, mede gelet op zijn inkomenssituatie ten tijde van het omzetten van de lening. De grief dat onvoldoende belang was gehecht aan de gezamenlijke schulden werd niet besproken. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de schuldsaneringsregeling uit, met verwijzing naar de rechtbank voor uitvoering.
Uitkomst: Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de schuldsaneringsregeling uit voor appellant.