ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9840

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 oktober 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R9900610
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Boer
  • Gerritzen
  • Kiers-Becking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling na niet te kwader trouw zijn bij schuldenaangaan

Appellant X. had bij de rechtbank te Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat werd afgewezen op grond van het oordeel dat hij roekeloos had gehandeld en niet te goeder trouw was. X. stelde dat hij tijdens zijn studie diverse schulden had opgebouwd en dat het continue-krediet van ABN AMRO was gebruikt voor aflossing, materiële steun aan zijn ex-echtgenote, huisraad en vervolgstudie, met slechts een klein deel voor vakantie.

De rente en aflossing werden aanvankelijk betaald uit zijn inkomsten als kleuterleider. Problemen ontstonden pas na ziekte en ontslag, waardoor aflossingen stagneerden. Ook wees hij erop dat een substantieel deel van de schulden hoofdelijk aansprakelijk was met zijn partner, mevrouw Y., voor wie de schuldsaneringsregeling wel was uitgesproken.

Het hof oordeelde anders dan de rechtbank en stelde vast dat X. niet te kwader trouw was bij het aangaan van zijn schulden, mede gelet op zijn inkomenssituatie ten tijde van het omzetten van de lening. De grief dat onvoldoende belang was gehecht aan de gezamenlijke schulden werd niet besproken. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de schuldsaneringsregeling uit, met verwijzing naar de rechtbank voor uitvoering.

Uitkomst: Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de schuldsaneringsregeling uit voor appellant.

Uitspraak

Het gerechtshof te 's-Gravenhage,
tweede civiele kamer,
heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
X.
wonende te P.,
appellant,
procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,
Het geding
Bij verzoekschrift van 22 september 1999 heeft X. hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 15 september 1999, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht de beslissing waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 oktober 1999, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr. R. Slotboom, advocaat te Rotterdam.
Beoordeling van het hoger beroep
1. X. stelt dat de rechtbank zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen op grond van het oordeel dat het handelen en nalaten van X. ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden als roekeloos en derhalve niet te goeder trouw moet worden bestempeld. X. voert daartoe aan dat hij tijdens zijn studie een substantiële schuld heeft opgebouwd bij de Informatie Beheer Groep; tevens had hij in die periode een studentenkrediet van ABN AMRO en bestond er een schuld aan de RABO-bank. Na af loop van de studie bood de ABN AMRO hem de mogelijkheid de lening om te zetten in een continue-krediet. Dit continue-krediet is gebruikt ter gedeeltelijke aflossing van voormelde tijdens de studie ontstane schulden, het verstrekken van materiële steun aan zijn ex-echtgenote, het kopen van huisraad en het bekostigen van een vervolgstudie. X.erkent dat een klein deel van het krediet is gebruikt om op vakantie te gaan. De rente en aflossing verbonden aan het krediet werden vervolgens uit de inkomsten van X. als kleuterleider betaald. Eerst nadat X. geconfronteerd werd met een ontslag tijdens ziekte en er dientengevolge haperingen ontstonden in de maandelijkse inkomsten, zijn problemen ontstaan met betrekking tot aflossing van het continuekrediet.
Voorts voert X. aan dat de rechtbank mogelijk onvoldoende belang gehecht heeft aan het feit dat een substantieel deel van de schulden behoort tot de schulden terzake waarvan zowel X. als zijn partner, mevrouw Y. ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het verzoek van mevrouw Y. om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken is door de rechtbank gehonoreerd. X. stelt dat als gevolg hiervan en het feit dat zijn verzoek is afgewezen een goede afwikkeling van de schuldsanering van mevrouw Y. niet goed mogelijk zal zijn.
2. Gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is het hof anders dan de rechtbank dienaangaande heeft geoordeeld van oordeel dat X. bij het aangaan van zijn schulden niet te kwader trouw is geweest. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de inkomenssituatie van X. ten tijde van het omzetten van de lening van de ABN AMRO in een continue-krediet op zichzelf het doen van uitgaven toeliet, doch dat de aflossing van de daaruit voortvloeiende schulden, waartoe X. diverse pogingen heeft ondernomen, is gestagneerd ten gevolge van ziekte en ontslag.
3. Gelet op het voorstaande behoeft de grief dat de rechtbank mogelijk onvoldoende belang heeft gehecht aan het feit dat een substantieel deel van de schulden behoren tot de schulden van zijn partner, geen bespreking.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 15 september 1999;
en opnieuw rechtdoende:
spreekt de toepassing van de schuldsanering uit;
verwijst de zaak naar de rechtbank te Rotterdam ter uitvoering van die regeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. De Boer, Gerritzen en Kiers-Becking uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.