ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9831

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/341
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Uhlenbeck-Lagerweij
  • Aukes-de Vries
  • Simonis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 onder b WSNWet Schuldsanering Natuurlijke Personen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake betrokkenheid bij langdurige bijstandsfraude en schuldsaneringsregeling

X heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank dat zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwees. Hij betoogde dat de schuld van zijn partner aan de gemeente P. wegens bijstandsfraude niet te goeder trouw was ontstaan en dat hij zelf niet te kwader trouw was geweest.

Het hof oordeelde dat X sinds 1990 samenwoonde met zijn ex-echtgenote Y en op de hoogte moest zijn geweest van de ten onrechte ontvangen uitkeringen. Hierdoor was het aannemelijk dat zowel X als zijn partner niet te goeder trouw waren ten aanzien van de bijstandsfraude.

Gezien de langdurige aard van de fraude en het feit dat deze pas werd beëindigd na aangifte door een familielid, achtte het hof het verzoek van X tot schuldsanering ongegrond en bekrachtigde het het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsanering af wegens niet te goeder trouw handelen bij langdurige bijstandsfraude.

Uitspraak

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage
Tweede civiele kamer,
heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:
X.,
(hierna te noemen: X),
wonende te P.
procureur: mr J.A. van Keulen.
Het geding
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 mei 1999, heeft X. hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank van 12 mei 1999, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, X. alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 1 juni 1999, waarbij X. niet is verschenen.
Namens X. is verschenen mr M.J. van der Veen, advocaat te Haarlem.
Beoordeling van het hoger beroep
De grief van X. strekt - zakelijk weergegeven - ten betoge dat de rechtbank zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat zij aannemelijk acht dat de schuld van de partner aan de Gemeente P. terzake bijstandsfraude niet te goeder trouw is ontstaan of onbetaald gelaten. X. voert aan dat de door de rechtbank toegepaste regeling, artikel 288 lid 2 onder Pro b, een discretionaire bevoegdheid betreft die ook bij kwade trouw toepassing van de saneringsregeling toelaat en stelt voorts dat er geen sprake is van bijstandsverlening aan hemzelf en dat niet is gebleken dat hij zelf te kwader trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van de schulden.
Voorts wijst X. ter ondersteuning van zijn stellingen op het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 1999.
X. heeft schuldsanering verzocht ten aanzien van de in het verzoekschrift opgenomen schulden ad f 47.000 en de door de gemeente P. heeft inmiddels tegen verzoeker ingestelde verhaalsvordering ten bedrage van f 107.864,82.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof aannemelijk dat X. sinds 1990 (weer) samenwoonde met zijn ex-echtgenote Y en derhalve ervan op de hoogte moet zijn geweest dat zij tot voorkort ten onrechte uitkeringen ontving van de Sociale Dienst van de Gemeente P., zulks naast het inkomen dat X. verwierf. Derhalve is aannemelijk dat X. evenals zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de gemeente P. wegens bijstandsfraude niet te goeder trouw is geweest. Nu bovendien die fraude zich over een lange periode heeft uitgestrekt en eerst een einde heeft genomen door de aangifte door een familielid dient naar het oordeel van het hof, gelet op doel en strekking van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, het verzoek van X. te worden afgewezen. Het vonnis van de rechtbank dient dus te worden bekrachtigd.
Beslissing
Het Gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 12 mei 1999.
Dit arrest is gewezen op 1 juni 1999 door mrs Uhlenbeck-Lagerweij, Aukes-de Vries en Simonis, in tegenwoordigheid van de griffier.