ECLI:NL:GHSGR:1999:AB0442

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
265-H-99
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Hehemann
  • Wigleven
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:228 BWArt. 8 EVRMArt. 14 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering erkenning adoptie meerderjarige kinderen in Nederland

De zaak betreft een verzoek tot erkenning in Nederland van een adoptieakte uit België waarbij een vrouw haar stiefkinderen, inmiddels meerderjarig, heeft geadopteerd. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat adoptie van meerderjarigen niet is toegestaan volgens de Nederlandse wet en dit in strijd zou zijn met de openbare orde.

De verzoekers gingen in hoger beroep en stelden onder meer dat het verbod op erkenning in strijd was met artikel 8 (recht op respect voor privé- en gezinsleven) en artikel 14 (verbod op discriminatie) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Openbaar Ministerie betoogde dat natuurlijke afstammingsrelaties een zwaarwegend maatschappelijk belang vertegenwoordigen en dat het wetsartikel 1:228 BW, dat minderjarigheid als voorwaarde stelt voor adoptie, de bescherming van het kind beoogt.

Het hof oordeelde dat artikel 8 EVRM Pro geen recht op adoptie omvat en dat het verbod op adoptie van meerderjarigen niet als inmenging in het gezinsleven valt. Tevens werd geoordeeld dat erkenning van een buitenlandse adoptie van meerderjarigen in strijd is met de Nederlandse openbare orde, tenzij de Nederlandse wettelijke eisen grotendeels zijn vervuld. Artikel 14 EVRM Pro was niet van toepassing omdat het alleen betrekking heeft op de toepassing van andere bepalingen van het verdrag.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarmee de erkenning van de adoptie in Nederland werd geweigerd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot erkenning van de adoptie van meerderjarige kinderen af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

Uitspraak : 3 september 1999
Rek.nummer: 265-H-99
Rek.nr.rb.: 98/1513
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
1) [naam verzoeker 1],
wonende te [woonplaats verzoeker 1],
2) [naam verzoeker 2],
wonende te [woonplaats verzoeker 2] (Zwitserland),
3) [naam verzoeker 3],
wonende te [woonplaats verzoeker 3] (België),
hierna gezamenlijk te noemen: de verzoekers,
procureur mr. C.G. Meeder.
Als belanghebbende is opgeroepen:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage,
zetelend te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: de ambtenaar.
HET GEDING
Verzoeker sub 1), geboren op [geboortedatum] 1917, is op 2 september 1950 in het huwelijk getre-den met jonk-heer [naam van de vader], de vader van verzoeker sub 2), geboren op 21 novem-ber 1941, en verzoeker sub 3), geboren op 13 november 1939.
Verzoeker sub 1) heeft bij notariële akte van adoptie, op 1 augustus 1994 verleden voor mr. M. de Graeve, notaris te Antwerpen (België), de verzoekers sub 2) en sub 3) geadop-teerd.
Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft bij arrest van 12 juni 1996 de adoptie, verle-den bij voornoemde notariële akte, geho-mo-logeerd en gezegd dat de naam van de geadopteerden onveran-derd zal blijven.
Op 9 maart 1998 hebben de verzoekers de rechtbank te 's-Gra-venhage ver-zocht te verklaren voor recht dat de door het Hof van Beroep te Antwerpen gedane uitspraak d.d. 12 juni 1996 bevoegdelijk buiten Nederland is gedaan en naar haar aard vatbaar is voor opneming in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand.
De rechtbank heeft bij beschikking van 8 februari 1999 het verzoek afgewezen.
De verzoekers zijn van die beschikking tijdig in hoger beroep gekomen en hebben verzocht het beroepschrift gegrond te ver-klaren, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te verklaren voor recht dat de uit-spraak van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d 12 juni 1996 zal worden erkend en opgenomen in het Nederlands register van de burgerlijke stand.
Op 10 juni 1999 is bij het hof ingekomen een schrijven van de ambtenaar d.d. 8 juni 1999.
Op 21 juni 1999 is bij het hof ingekomen een schrijven van de Advocaat-Generaal, mr. A.J.M. Kaptein, houdende de conclusie van het Openbaar Ministerie.
Op 23 juni 1999 is de zaak mondeling behandeld.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. Sinds de voltrekking van het huwelijk op 2 september 1950 van appellante sub 1 met de natuurlijke vader van appellanten sub 2 en 3, heeft zij hen als stiefmoeder opgevoed tot hun volwassenheid. Appellante sub 1 heeft zelf geen kinderen. De na-tuur-lijke vader en de natuurlijke moeder van appellanten sub 2 en 3 zijn overleden.
2. Appellante sub 1 heeft bij adoptie-akte van 1 augustus 1994 appellanten sub 2 en 3 in België geadopteerd. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft bij arrest van 12 juli 1996 de adoptie, verle-den bij voornoemde akte, gehomologeerd. Het beschikkend ge-deelte van dit arrest is inmiddels ingeschreven in de regis-ters van de burgerlijke stand van de gemeente Kapellen te België.
3. Appellanten wensen thans dat de adoptie tevens in Nederland wordt erkend en wordt ingeschreven in de registers van de burgerlij-ke stand. Het verzoek tot erkenning is bij beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 8 februari 1999 afgewezen.
4. In het hoger beroep tegen deze beschikking stellen appel-lanten in grief I dat de rechtbank ten onrechte strijd met de openbare orde heeft geconstateerd. In grief II voeren zij aan van oordeel te zijn dat in het onderhavige geval artikel 8 EVRM Pro ertoe dient te leiden dat het ver-zoek tot erkenning van de adoptie wordt toegewezen.
Als laatste grief voeren zij aan dat de rechtbank het verbod op discriminatie, zoals neergelegd in artikel 14 EVRM Pro, heeft geschonden.
5. Het Openbaar Ministerie concludeert dat hetgeen door appel-lan-ten wordt verzocht fundamenteel in strijd zou komen met de openbare orde, en dat derhalve het verzoek moet worden afgewe-zen. Het Openbaar Ministerie is van mening dat natuurlijke afstam-mingsrelaties een functie en waarde verte-genwoordigen welke als essentieel en zwaarwegend moeten worden aangemerkt, niet alleen voor de (direct) betrokkenen, maar ook uit alge-meen maatschappelijk perspectief. Een belang-rijke regel be-treffende afstamming is neergelegd in de wette-lijke bepaling van artikel 1: 228 van het Burgerlijk Wetboek (hier-na: het BW) betreffende de adop-tie, waarin als één van de voorwaarden voor adoptie minderja-righeid is opgenomen. Erkenning van adoptie van meer-derjarigen zou strijd ople-veren met genoemde wetsbepa-ling, waarbij tevens voorbij gegaan zou worden aan de bedoe-ling van de wetgever, te weten de bescherming van het kind.
Terzijde wordt nog opgemerkt dat artikel 8 noch Pro artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) aan dit oordeel kunnen afdoen.
6. De ambtenaar is van mening dat het aan de rechter is om af te wegen enerzijds het belang van het handhaven van de Neder-landse rechtsregel die adoptie van meerderjarigen uitsluit en anderzijds de belangen van betrokkenen.
7. Het hof verenigt zich met de overwegingen en de beslissing van de rechtbank, met dien verstande dat het hof van oordeel is dat artikel 8 van Pro het EVRM niet strekt tot bescherming van het recht op adoptie. Het hof verwijst hiervoor naar de juris-prudentie van de Europese Commissie voor de Rechten van de mens (hierna: de Europese Commissie) en de thans heersende Nederlandse recht-spraak, waaronder het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 juli 1986. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat een recht op of een vrijheid ter zake van adoptie volgens de jurisprudentie van de Europese Commissie niet behoort tot de rechten en vrijheden die door het EVRM worden beschermd, en derhalve uitsluiting of beperking van de mogelijkheid van adoptie niet kan worden gezien als een inmenging in het ge-zinsle-ven van artikel 8 EVRM Pro. Gelet hierop faalt naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak de tweede grief.
8. Voorts acht het hof het in strijd met de Neder-landse open-ba-re orde een adop-tie tussen Nederlan-ders te erkennen die met toepassing van buiten-lands recht door een buitenlandse rechter is uitge-spro-ken, tenzij de eisen die de Nederlandse wet aan adoptie stelt in hoofdzaak zijn vervuld. De Nederlandse wet stelt in artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro als één van de voorwaar-den voor adoptie dat het adoptiefkind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is. Deze voorwaarde is van zwaarwegend belang, nu de bedoeling van de wetgever hiermee is adoptie enkel ter bescherming van het minderjarige kind mogelijk te maken. Aan deze voorwaarde is in het onderhavige geval niet voldaan. Daarom faalt grief I.
9. Grief III faalt eveneens, daar artikel 14 EVRM Pro slechts betrekking heeft op de toepassing van andere bepalingen van dat verdrag en geen van die andere bepalingen in deze zaak van toepassing is.
10. Gelet op het vorenstaande zal de bestreden beschikking derhalve worden bekrachtigd.
BESLISSING IN HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Hehemann, Wigleven en Fockema Andreae-Hartsuiker, bij-ge-staan door mr. Buiting als grif-fier, en uitgesproken ter openba-re terechtzit-ting van 3 september 1999.
De griffier is niet in staat deze beschikking mede te onderte-kenen.