ECLI:NL:GHSGR:1996:AA4364
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering samenwonersvrijstelling bij nalatenschap zonder gemeenschappelijke huishouding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag successierecht over de nalatenschap van haar broer, waarbij zij aanspraak maakte op de samenwonersvrijstelling. De Inspecteur handhaafde de aanslag, waarna belanghebbende in hoger beroep ging bij het Gerechtshof.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende als verkrijgster kon worden aangemerkt voor toepassing van de samenwonersvrijstelling, waarbij zij stelde dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater. Zij voerde aan dat de broers en zusters sinds 1939 onafgebroken een gezamenlijke huishouding voerden, met gezamenlijke kosten en wisselende woonplaatsen.
Het Hof oordeelde dat, conform een eerder arrest van de Hoge Raad, bij het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf geen sprake kan zijn van een gemeenschappelijke huishouding, tenzij bijzondere omstandigheden dat anders doen aannemen. Deze bijzondere omstandigheden waren in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat er geen sprake was van een weloverwogen standpunt van de Inspecteur en geen incidentele vergissing.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd. Het Hof veroordeelde partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aanslag en wijst het beroep van belanghebbende af wegens het ontbreken van een gemeenschappelijke huishouding.