ECLI:NL:GHLEE:2012:BY9625

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
21 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.100.461
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • De Witt
  • Beswerda
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 9 WAHVArt. 11 Besluit tarieven in strafzakenArt. 20d WAHV
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bestuursrechtelijk beroep wegens ontbreken machtiging

De Stichting kreeg een sanctie opgelegd wegens een snelheidsovertreding en stelde administratief beroep in. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna de Stichting bij de kantonrechter beroep instelde. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat geen machtiging was overgelegd die de vertegenwoordiging door de statutair bestuurder bevestigde.

In hoger beroep stelde de Stichting dat de sector bestuursrecht niet bevoegd was om de zaak te behandelen en dat de statutair bestuurder geen machtiging behoefde. Het hof oordeelde dat de kantonrechter wel bevoegd was en dat bij onduidelijkheid over vertegenwoordiging een uittreksel uit het handelsregister volstaat in plaats van een machtiging.

Het hof vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring en verwees de zaak terug naar de kantonrechter voor inhoudelijke behandeling. Proceskosten voor professionele rechtsbijstand werden afgewezen omdat de statutair bestuurder zelf optrad, maar reiskosten voor de zitting werden toegewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug naar de kantonrechter voor inhoudelijke behandeling; proceskosten worden deels toegewezen.

Uitspraak

WAHV 200.100.461
21 november 2012
CJIB 149330564
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 17 november 2011
betreffende
Stichting [betrokkene] (hierna te noemen: de Stichting),
gevestigd te [vestigingsplaats],
in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. [statutair bestuurder].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de Stichting tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De Stichting heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De griffier van het hof heeft de Stichting bij brief van 16 mei 2012 verzocht om - eventueel onderbouwd met stukken - aan te geven wie bevoegd is de Stichting in rechte te vertegenwoordigen en wie het beroepschrift heeft ondertekend. Bij brief van 28 mei 2012 heeft de Stichting onder meer een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel aan het hof doen toekomen. Voorts is daarbij verzocht om een behandeling ter zitting.
De zaak is behandeld ter zitting van 7 november 2012. Namens de Stichting is verschenen mr. [statutair bestuurder]. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C.T. Brontsema.
Na de zitting heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
Beoordeling
1. Uit het dossier blijkt het volgende.
Aan de Stichting is een sanctie opgelegd ter zake van een snelheidsovertreding. De inleidende beschikking is op 7 februari 2011 aan de Stichting toegezonden. Bij brief van 9 februari 2011 heeft de Stichting een verzoek gedaan ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur en op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Nadat de Stichting de gronden van het beroep had ingediend, heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de officier van justitie is bij brief van 22 mei 2011 beroep bij de kantonrechter ingesteld. Uit het beroepschrift is niet gebleken wie de Stichting vertegenwoordigde. De griffier van de rechtbank, sector bestuursrecht, heeft de Stichting er bij brief van 20 oktober 2011 op gewezen dat een machtiging ontbreekt. Daarbij is aan de Stichting verzocht om binnen twee weken na dagtekening van de brief een machtiging over te leggen, waaruit blijkt dat de Stichting gerechtigd is beroep in te stellen. Voorts heeft de griffier de Stichting erop gewezen dat het niet tijdig verstrekken van de gevraagde machtiging kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep. De Stichting heeft niet gereageerd op voornoemde brief. Omdat de Stichting niet heeft voldaan aan het verzoek om een machtiging over te leggen, heeft de kantonrechter bij beslissing van 17 november 2011 het beroep van de Stichting niet-ontvankelijk verklaard. Boven voornoemde beslissing van de kantonrechter staat 'sector bestuursrecht' vermeld.
2. De vertegenwoordiger van de Stichting, die in hoger beroep een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is de Stichting te vertegenwoordigen, stelt zich op het standpunt dat de sector bestuursrecht niet bevoegd is zogenoemde Mulderzaken te beoordelen. Reeds om die reden dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd, aldus de vertegenwoordiger.
3. Artikel 9, eerste lid, van de WAHV luidt, voor zover hier van belang: Tegen de beslissing van de officier van justitie kan degene die administratief beroep heeft ingesteld, beroep instellen bij de rechtbank; het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter.
4. Artikel 47, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: de Wet RO) luidt: Er is een sector kanton waarbinnen in enkelvoudige kamers kantonzaken worden behandeld en beslist.
5. Het hof stelt vast dat de in hoger beroep bestreden beslissing, in overeenstemming met artikel 9 van Pro de WAHV, is gegeven door de kantonrechter. Uit de gedingstukken blijkt dat de kantonrechter hierbij deel uitmaakte van de sector bestuursrecht van de rechtbank Utrecht. Naar het oordeel van het hof sluit het bepaalde in artikel 47 van Pro de Wet RO noch enige andere bepaling uit deze wet uit dat WAHV-zaken door de kantonrechter worden behandeld en beslist binnen het verband van de sector bestuursrecht. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat onderhavige beslissing onbevoegd is genomen. Het verweer van de Stichting treft geen doel.
6. Verder betwist de vertegenwoordiger in hoger beroep de ontvangst van de brief van 20 oktober 2011, waarin de Stichting om een machtiging is gevraagd. Daarbij merkt de vertegenwoordiger op dat de Stichting geen machtiging hoefde over te leggen, omdat zij wordt vertegenwoordigd door haar statutair directeur. Omdat de statutair directeur van rechtswege bevoegd is de Stichting te vertegenwoordigen, behoeft hij daarvoor geen machtiging, aldus de vertegenwoordiger.
7. Wat er ook zij van de ontvangst van de brief van 20 oktober 2011, het hof is van oordeel dat wanneer er onduidelijkheid bestaat omtrent de vertegenwoordiging van een rechtspersoon - zoals in casu - er geen machtiging, maar een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel bij de betrokkene opgevraagd dient te worden.
8. Gelet op het hiervoor overwogene, is het hof van oordeel dat het beroep van de Stichting ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat geen machtiging is overgelegd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Het hof zal de zaak niet zelf afdoen, maar de zaak terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Utrecht. Het hof neemt hierbij in overweging dat de kantonrechter de zaak ten onrechte niet inhoudelijk heeft behandeld, zodat terugwijzing naar analogie van artikel 20d, tweede lid, van de WAHV in de rede ligt.
9. Het voorgaande brengt mee dat de proceskosten van de Stichting in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. De vertegenwoordiger van de Stichting heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor professionele juridische bijstand.
10. Ingevolge artikel 1 van Pro het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
c. reis- en verblijfkosten van een partij,
d. verletkosten van een partij,
e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.
11. Het hof stelt voorop dat de onderhavige administratieve sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig waarmee de gedraging is verricht, te weten Stichting [betrokkene], waarvan, zoals blijkt uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, [naam statutair bestuurder] de statutair bestuurder is. [Naam statutair bestuurder] is in de onderhavige procedure vanaf het begin - zoals hij ter zitting heeft verklaard - als vertegenwoordiger van de Stichting opgetreden. Dat brengt mee dat hij niet tevens kan worden aangemerkt als een derde die aan de Stichting beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, zoals bedoeld in het besluit proceskosten bestuursrecht. Voor vergoeding van die kosten is derhalve geen plaats.
12. Het hof ziet wel aanleiding de door de vertegenwoordiger in hoger beroep gemaakte kosten, ten behoeve van het bijwonen van de zitting van het hof, te vergoeden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden de reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Derhalve zal het hof ter zake van reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting in Leeuwarden een bedrag toekennen van € 46,- ([vestigingsplaats] - Leeuwarden v.v. per trein).
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Utrecht ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de Stichting, ter hoogte van € 46,-.
Dit arrest is gewezen door mrs. De Witt, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.