ECLI:NL:GHLEE:2012:BY3616
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- W. Breemhaar
- G. van Rijssen
- F.J. Streppel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inbrenggift en grenzen volgens art. 4:233 lid 2 BW in nalatenschapsverdeling
In deze zaak staat de vraag centraal of een verkoop van een onroerende zaak tegen een lagere koopsom dan de werkelijke waarde een gift inhoudt die ingebracht moet worden in de nalatenschap van de moeder van partijen. De appellanten stelden dat de lagere koopsom een materiële bevoordeling van geïntimeerde betrof, die ingebracht diende te worden in de nalatenschap.
De rechtbank had de vorderingen van appellanten afgewezen. In hoger beroep wijzigden appellanten hun eis en vorderden onder meer een verklaring voor recht dat sprake was van een gift en een verdeling van de nalatenschap op grond van artikel 3:185 BW Pro. Het hof overwoog dat ingevolge art. 4:233 lid 2 BW Pro de inbreng van een gift beperkt is tot de waarde van de nalatenschap en dat de begiftigde erfgenaam niet in plaats van iets te ontvangen, erop moet toeleggen.
Het hof achtte het niet nodig om te onderzoeken of de transactie een gift bevatte, omdat zelfs bij veronderstelling van een gift de inbreng beperkt is door de wettelijke grenzen. De vorderingen werden daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De kosten van het geding in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellanten af wegens toepassing van art. 4:233 lid 2 BW.