ECLI:NL:GHLEE:2012:BY3214
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep loonbelasting: woonplaats en inhouding loonheffing bij zeevarende
Belanghebbende, een Nederlandse zeevarende, maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffing over april en mei 2010 door zijn Nederlandse werkgever. Hij stelde niet in Nederland woonachtig te zijn, maar in Ierland, en beriep zich op het vertrouwen dat geen inhouding zou plaatsvinden en op internationale verdragen.
De Rechtbank Leeuwarden had het bezwaar gegrond verklaard, maar het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende voor de loonheffing in Nederland woonachtig is. Dit volgt uit zijn duurzame persoonlijke band met Nederland, onder meer door het bezit van een woning, voertuigen met Nederlandse kentekens, en een Nederlandse werkgever die het loon op een Nederlandse bankrekening stort.
Het Hof oordeelt dat het Verdrag tussen Nederland en Ierland en de Europese Verordeningen 1408/71 en 883/2004 bevestigen dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is op de loonheffing en volksverzekeringen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de Inspecteur tijdig en gemotiveerd heeft gereageerd. Ook het beroep op de Seafarers’ pensions convention wordt verworpen omdat deze geen belemmering vormt voor inhouding van loonheffing.
Ten slotte oordeelt het Hof dat de Rechtbank de verletkosten correct heeft vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond. Beide partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van loonheffing door de Nederlandse werkgever bevestigd.