ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9703
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslag en vergrijpboete inkomstenbelasting 2004
Belanghebbende was in 2004 werkzaam bij de eenmanszaak van zijn moeder en ontving een loon van €16.000. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op van €36.000 inclusief een vergrijpboete van €2.040, gebaseerd op een vermogensvergelijking die een bedrag van €20.000 aan niet opgegeven inkomsten betrof.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de vermogensvergelijking onvolledig was omdat niet alle bankrekeningen van hem en zijn echtgenote waren betrokken, en dat de Inspecteur onvoldoende onderzoek had gedaan naar contante uitgaven en vaste lasten. Ook werd aangevoerd dat de werkzaamheden met betrekking tot auto's hobbymatig waren en geen bron van inkomsten vormden.
Het Hof oordeelde dat de vermogensvergelijking onvolledig en onjuist was, onder meer doordat bankrekeningen van de echtgenote niet waren meegenomen en vaste lasten niet adequaat waren onderzocht. Hierdoor bood de vermogensvergelijking onvoldoende steun voor de navordering. Ook de overige argumenten van de Inspecteur waren niet overtuigend.
Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boete. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Staat werd gelast het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het hof vernietigt de navorderingsaanslag en vergrijpboete wegens onvoldoende bewijs van hogere inkomsten.