ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4220
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toerekenbare schijn van volmachtverlening in kredietovereenkomst en verjaring
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de bank terecht mocht vertrouwen op de volmacht van een gemachtigde van appellant bij het opeisen van een kredietfaciliteit na het faillissement van een van de vennootschappen waarvoor appellant hoofdelijk aansprakelijk was.
De kredietovereenkomst uit januari 2000 betrof een zakelijk krediet aan meerdere vennootschappen, waaronder een bouwbedrijf dat in oktober 2000 failliet werd verklaard. De bank sommeerde daarop de vennootschappen en appellant tot volledige aflossing van de schuld. Diverse brieven van de bank en haar incassogemachtigde aan appellant en diens gemachtigde betroffen de opeisbaarheid van de vordering en de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de gemachtigde niet bevoegd was hem te vertegenwoordigen en dat de vordering verjaard was. Het hof oordeelde dat de bank op grond van de feiten en omstandigheden, waaronder uitlatingen van appellant zelf, gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de volmacht van de gemachtigde. Tevens werd geoordeeld dat de verjaring door stuiting was onderbroken door de brief van de incassogemachtigde van mei 2002.
Het hof verwierp de grieven van appellant, bekrachtigde de eerdere vonnissen en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de grieven van appellant af en bekrachtigt de vonnissen, waarbij appellant wordt veroordeeld tot betaling van de vordering en de kosten van het hoger beroep.