ECLI:NL:GHLEE:2012:BW4174

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
16 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.099.476/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358a FwArt. 358 FwArt. 350 lid 3 onder e Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontneming schone lei wegens verzwijging inkomsten kinderen tijdens schuldsaneringsregeling

In deze zaak gaat het om het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad dat appellant de schone lei is ontnomen op grond van artikel 358a van de Faillissementswet. De rechtbank oordeelde dat appellant haar schuldeisers aanzienlijk heeft benadeeld door niet te melden dat haar meerderjarige kinderen gedurende een groot deel van de schuldsaneringsregeling inkomsten uit arbeid genoten en door geen kostgeld van hen te vragen.

Het hof bevestigt dat indien de rechter-commissaris hiervan op de hoogte was geweest, een ander vrij te laten bedrag zou zijn vastgesteld, waardoor appellant een hoger bedrag aan de boedelrekening had moeten afdragen, minimaal €14.000,-. Appellant kon zich niet verschuilen achter het feit dat de bewindvoerder haar niet nogmaals op de kostgeldverplichting had gewezen.

Het hof sluit zich aan bij de gronden van de rechtbank en oordeelt dat de tekortkoming van appellant van zodanige aard is dat deze niet buiten beschouwing kan blijven. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, het verzoek tot uitvoerbaarheid bij voorraad en de kostenvergoedingen worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de schone lei van appellant wordt ontnomen wegens benadeling van schuldeisers door verzwijging van inkomsten van haar kinderen.

Uitspraak

Arrest d.d. 16 februari 2012
Zaaknummer 200.099.476
HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Arrest in de zaak van
[ap[appellante],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. R. Gerretsen, kantoorhoudende te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. F.X.D.A. Hagens, kantoorhoudende te Leusden.
Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van 21 december 2011 (geregistreerd onder zaaknummer: 184664 FT/RK 11.918) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van [geïntimeerde] (schuldeiser van [appellante]) tot ontneming van de schone lei van [appellante] ingevolge artikel 358a van de Faillissementswet (hierna: Fw) toegewezen.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 28 december 2011, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:
- een brief, met bijlagen, tevens verzonden per fax, van 31 januari 2012 van mr. Gerretsen;
- een faxbericht, met bijlage, van 2 februari 2012 van mr. Gerretsen;
- een faxbericht van 2 februari 2012 van mr. Hagens;
- een faxbericht van 3 februari 2012 van mr. Hagens;
- een faxbericht van 3 februari 2012 van mr. Gerretsen.
Ter zitting van 8 februari 2012 is de zaak behandeld. Verschenen is [appellante], bijgestaan door haar advocaat. [geïntimeerde] is - met bericht - niet in persoon verschenen. Als gemachtigde van [geïntimeerde] is verschenen de heer [gemachtigde van geïntimeerde], bijgestaan door mr. R.F. Vogel (een kantoorgenoot van mr. Hagens). Als belanghebbende is verschenen de heer [belanghebbende]. Mrs. Gerretsen en Vogel hebben beiden mede het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitnota's.
De beoordeling
Inleiding
1. De rechtbank heeft bepaald dat aan [appellante] haar schone lei dient te worden ontnomen. Hiertoe overweegt de rechtbank - zakelijk weergegeven - als volgt.
Volgens de rechtbank staat vast dat, indien zij bekend zou zijn geweest met het feit dat de kinderen van [appellante] gedurende een groot deel van de schuldsaneringsregeling van [appellante] inkomen genoten uit arbeid minimaal overeenkomstig de bijstandsnorm, [appellante] indertijd een aanzienlijke boedelachterstand zou hebben gehad. Hierdoor zou [appellante] vanwege de aanzienlijke benadeling van schuldeisers geen schone lei hebben verkregen.
Voorts is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer aannemelijk dat, ingeval ten tijde van de schuldsaneringsregeling voormelde feiten bekend zouden zijn geworden, de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd zou zijn, in ieder geval op grond van het door [appellante] verzaken van haar inlichtingenverplichting, alsmede vanwege het benadelen van de schuldeisers.
Volgens de rechtbank dient de vraag of de bovenstaande handelwijze van [appellante] gelet op het bepaalde in artikel 358a Fw kan leiden tot het achteraf ontnemen van een eenmaal verstrekte schone lei, bevestigend te worden beantwoord. De rechtbank is van oordeel dat [appellante] haar schuldeisers aanzienlijk heeft benadeeld door tijdens de schuldsaneringsregeling niet aan de bewindvoerder door te geven dat haar meerderjarige kinderen gedurende een groot deel van de schuldsaneringsregeling inkomen uit arbeid genoten. De rechtbank is van oordeel dat indien de rechter-commissaris bekend was geweest met de inkomsten van de kinderen van [appellante] er conform de toen geldende Recofa-richtlijnen een ander vrij te laten bedrag vastgesteld zou zijn waardoor [appellante] een aanzienlijk hoger bedrag, in totaal gedurende de gehele periode minimaal € 14.000,-, had moeten afdragen aan de boedelrekening ten behoeve van haar schuldeisers. Volgens de rechtbank kan [appellante] zich niet verschuilen achter het feit dat de bewindvoerder haar niet nogmaals gedurende de schuldsaneringsregeling heeft gewezen op het feit dat de meerderjarige kinderen kostgeld moesten betalen.
2. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen.
Het oordeel
3. Op grond van artikel 358a, eerste lid, Fw kan de rechter op verzoek van iedere belanghebbende bepalen dat artikel 358, eerste lid, Fw verder geen toepassing vindt, indien na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling waardoor het rechtsgevolg bedoeld in artikel 358, eerste lid, Fw is ingetreden, blijkt dat zich voordien feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 350, derde lid, aanhef en onder e, Fw.
4. Bij vonnis van 27 februari 2006 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad ten aanzien van [appellante] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 6 mei 2009 is bepaald dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, maar dat deze tekortkoming gezien haar geringe betekenis buiten beschouwing blijft, zodat aan [appellante] desondanks de zogeheten 'schone lei' is verleend.
5. Het hof stelt vast dat de kinderen van [appellante] in de periode dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] van toepassing was, inkomsten hebben gegenereerd. [appellante] heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd daar kinderen gedurende (een deel van) de schuldsaneringsregeling bij haar hebben gewoond. Zij heeft voorts gesteld dat zij geen kostgeld van haar kinderen heeft gevraagd en dat de kinderen ook geen kostgeld aan haar hebben betaald. Daarnaast heeft [appellante] verklaard dat zij niet met de bewindvoerder heeft gesproken over het feit dat haar kinderen op een gegeven moment werkzaamheden in loondienst zijn gaan verrichten. De bewindvoerder was derhalve gedurende de schuldsaneringsregeling hiervan niet op de hoogte.
6. Het hof is van oordeel dat [appellante] op de hoogte dient te zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof stelt vast dat de bewindvoerder in het aanvangsverslag van 25 april 2006 heeft vermeld dat alle kinderen van [appellante] naar school gaan en dat zodra één van de kinderen gaat werken, hij/zij kostgeld gaat betalen. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat [appellante] wist, althans had zij behoren te weten, dat zij het diende te melden als haar kinderen inkomen gingen verwerven en/of zij kostgeld van haar kinderen moest gaan vragen.
7. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat indien de rechter-commissaris bekend was geweest met de inkomsten van de kinderen, het vrij te laten bedrag lager zou zijn vastgesteld, waardoor [appellante] een aanzienlijk hoger bedrag, in totaal gedurende de gehele periode van de schuldsaneringsregeling minimaal € 14.000,-, had moeten afdragen aan de boedelrekening ten behoeve van haar schuldeisers. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat [appellante] haar schuldeisers heeft benadeeld door te verzwijgen dat haar kinderen inkomsten genereerden en door de kinderen geen kostgeld te laten afdragen. Het hof verenigt zich voor het overige met de gronden van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Naar het oordeel van het hof is er gezien de hoogte van het bedrag waarvoor [appellante] haar schuldeisers heeft benadeeld, sprake van een dusdanige tekortkoming, dat deze niet gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan blijven.
8. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank bij vonnis waarvan beroep terecht heeft bepaald dat artikel 358, eerste lid, Fw geheel buiten beschouwing blijft. Het meer of anders door [appellante] aangevoerde kan niet tot een ander oordeel leiden.
9. Gelet op het systeem van de Faillissementswet heeft deze uitspraak reeds onmiddellijke werking. [geïntimeerde] heeft geen belang bij zijn verzoek om de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
10. Tevens heeft [geïntimeerde] verzocht om vergoeding van de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof acht geen termen aanwezig om dit verzoek toe te wijzen.
Slotsom
11. Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
wijst het verzoek van [geïntimeerde] tot uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad af;
wijst het verzoek van [geïntimeerde] om vergoeding van de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Tubben, voorzitter, R. Feunekes en A.W. Jongbloed, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 februari 2012 in bijzijn van de griffier.