ECLI:NL:GHLEE:2012:BW2939
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging verbod stalking en overlast
In deze civiele zaak vordert appellant incidenteel de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank Leeuwarden waarin hij verboden werd om geïntimeerde, haar man en dochter te stalken, overlast te veroorzaken en met de auto op hen in te rijden. Appellant stelt dat het vonnis onterecht uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat het vonnis op meerdere juridische en feitelijke misslagen berust.
De rechtbank had eerder de vordering van appellant afgewezen en de vorderingen van geïntimeerde toegewezen, waarbij dwangsommen werden opgelegd bij overtreding van de verboden. Het hof overweegt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 351 Rv Pro een belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing blijft. Tevens moet aannemelijk zijn dat het vonnis op een misslag berust of dat er nieuwe feiten zijn die een afwijking rechtvaardigen.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vonnis op een misslag berust. De motivering van het vonnis is niet evident gebrekkig en het feit dat andere beslissingen mogelijk waren, leidt niet tot een misslag. Ook de mogelijke executiegeschillen wegen niet zwaarder dan het belang van geïntimeerde bij handhaving van het vonnis. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen.
De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling. De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt gereserveerd tot de einduitspraak.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.