ECLI:NL:GHLEE:2011:BU1953

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
21 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000332-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 72 SrArt. 73 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens verjaring van strafvordering in hoger beroep

In deze strafzaak ging het om hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter in Groningen, waarbij verdachte werd vervolgd voor overtredingen gepleegd tussen 22 september 2006 en 24 oktober 2006.

De wetgeving omtrent verjaring van strafvordering voor overtredingen wijzigde per 1 februari 2008, waarbij de termijn werd verlengd van twee naar drie jaar. De verjaringstermijn was gestuit door de betekening van de aanzegging hoger beroep op 4 juli 2007, waardoor een nieuwe termijn van drie jaar begon te lopen.

Het hof stelde vast dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep op 2 augustus 2011 plaatsvond, wat meer dan drie jaar na de aanzegging hoger beroep was. Hierdoor was de strafvordering verjaard en was het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk. De verjaringstermijn was niet geschorst of gestuit na de aanzegging hoger beroep, waardoor verdere behandeling niet mogelijk was.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de strafvordering in hoger beroep.

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-000332-07
Uitspraak d.d.: 21 oktober 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Groningen van 5 februari 2007 in de strafzaak tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 oktober 2011.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging vanwege verjaring. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,
mr. C. Grondsma, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De aan verdachte ten laste gelegde overtredingen zouden zijn gepleegd in de periode van
22 september 2006 (oudste feit) tot en met 24 oktober 2006 (jongste feit).
Artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht bepaalde tot
1 februari 2008 dat het recht tot strafvordering voor overtredingen vervalt door verjaring indien er twee jaren zijn verstreken. Door een wetswijziging, welke op 1 februari 2008 in werking is getreden, bepaalt voornoemd artikel nu dat het recht tot strafvordering voor overtredingen vervalt door verjaring indien er drie jaren zijn verstreken.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat bij verandering van wetgeving met betrekking tot verjaring in strafzaken als uitgangspunt geldt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. De laatste daad van vervolging vóór de wijziging van de termijn, te weten de betekening aan verdachte van de aanzegging hoger beroep d.d. 4 juli 2007, heeft de verjaring ingevolge artikel 72 van Pro het Wetboek van Strafrecht gestuit. Hierdoor is een nieuwe verjaringstermijn aangevangen. Op het moment van de inwerkingtreding van voornoemde wijziging was de verjaring in deze zaak nog niet voltooid, zodat de nieuwe wetgeving van toepassing is en de verjaringstermijn van drie jaren geldt.
Het hof stelt vast dat tussen de betekening aan verdachte van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 augustus 2011 en de betekening van de aanzegging hoger beroep aan verdachte d.d. 4 juli 2007 meer dan drie jaren zijn verstreken, zodat het recht tot strafvordering voor de behandeling in hoger beroep is verjaard. De verjaringstermijn is noch door een daad van vervolging gestuit, noch ingevolge artikel 73 van Pro het Wetboek van Strafrecht geschorst, zodat het hof het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk zal verklaren.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. J.J. Beswerda, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. E. de Witt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 21 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J. Hielkema en mr. I.N. Koers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.