ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1596

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 200.080.652
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet stellen van zekerheid

De betrokkene stelde beroep in bij de kantonrechter tegen een beslissing van de officier van justitie, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet had voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling. De betrokkene had eerder verzoeken tot heroverweging ingediend bij de officier van justitie, waarop zekerheidsbrieven werden verzonden, maar deze waren niet bedoeld als formeel beroep bij de kantonrechter.

Het hof oordeelt dat de brieven van de betrokkene aan de officier van justitie als verzoeken om heroverweging moeten worden gezien, waarvoor geen zekerheidstelling vereist is. Pas bij het formele beroep van 4 juni 2010 bij de kantonrechter had de betrokkene geïnformeerd moeten worden over de zekerheidstelling en in de gelegenheid moeten worden gesteld deze te stellen.

Omdat dit niet is gebeurd, is de niet-ontvankelijkverklaring onterecht en wordt de zaak vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling. Er is geen sprake van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitkomst: Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

WAHV 200.080.652
7 juni 2011
CJIB 138034101
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 19 november 2010
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling en geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan niet-ontvankelijkheid achterwege zou moeten blijven.
2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat zij niet eerder dan op 4 juni 2010 beroep bij de kantonrechter heeft ingesteld en dat de brieven die zij voorafgaand daaraan heeft ontvangen en waarin haar abusievelijk om zekerheidstelling werd verzocht, haar zijn toegezonden naar aanleiding van haar brieven van 23 april 2010 en 14 mei 2010 aan de officier van justitie over de gang van zaken bij de politie.
3. Uit de stukken blijkt het volgende.
Bij beslissing gedateerd 26 april 2010 heeft de officier van justitie het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaard. De motivering van die beslissing is gedateerd 21 april 2010.
Bij brief d.d. 23 april 2010 heeft de betrokkene op die laatste brief gereageerd. Zij verzoekt de officier van justitie daarin om "- alvorens de zaak aan de kantonrechter voor te leggen - de stukken nog eens persoonlijk te bestuderen" en zij uit de hoop dat de officier van justitie bereid is de beslissing te herzien naar aanleiding van de door haar opgesomde onjuistheden in het proces-verbaal.
Aan de betrokkene zijn op 29 april 2010 en 14 mei 2010 zekerheidsbrieven gezonden.
Bij brief van 14 mei 2010 heeft de betrokkene de officier van justitie opnieuw verzocht de stukken nauwkeurig te bestuderen en in verband met het einde van de beroepstermijn voor 7 juni 2010 te reageren. Zij schrijft verder: "Mijn brief behelst geenszins een beroep bij de kantonrechter. Ik begrijp ook niet hoe u dat uit de tekst kunt opmaken."
Bij brief van 4 juni heeft de betrokkene beroep bij de kantonrechter ingesteld. In reactie op die brief zijn betrokkene geen zekerheidsbrieven toegestuurd.
4. Het hof stelt voorop dat een betrokkene niet alleen door het aanwenden van het in de wet voorziene rechtsmiddel maar ook door zich met een verzoek om heroverweging te wenden tot de officier van justitie, kan trachten te bewerkstelligen dat een beslissing van de officier van justitie op een beroepschrift tegen een inleidende beschikking ongedaan wordt gemaakt. De brief van de betrokkene van 23 april 2010 kan, gelet op de inhoud daarvan, bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een zodanig verzoek. Eerst bij brief van 4 juni 2010 heeft de betrokkene het in artikel 9 van Pro de WAHV voorziene rechtsmiddel aangewend.
5. Gelet hierop komt aan de in reactie op de brief van 23 april 2010 verzonden zekerheidsbrieven geen betekenis toe -voor de behandeling van een verzoek om heroverweging is geen zekerheidstelling vereist- en had de betrokkene na haar brief van 4 juni 2010 op de voet van artikel 11 WAHV Pro geïnformeerd moeten worden over de verplichting tot zekerheidstelling en in de gelegenheid moeten worden gesteld om de zekerheid te stellen. Nu dat niet is gebeurd, heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De bestreden beslissing kan niet in stand blijven en de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank.
6. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.