ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1583

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
23 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 200.071.685
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
  • Sekeris
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WAHVArt. 14 WAHV
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Doorbreking appelverbod wegens schending recht op hoor en wederhoor bij niet-aannemelijke verzending oproepingsbrief

Betrokkene was in beroep gegaan tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een administratieve sanctie opgelegd door het CJIB. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond omdat de opgelegde sanctie lager was dan € 70, waardoor hoger beroep in beginsel niet ontvankelijk is.

Betrokkene stelde dat hij geen oproepingsbrief voor de zitting van de kantonrechter had ontvangen en daardoor zijn zienswijze niet had kunnen toelichten, wat een schending van het recht op hoor en wederhoor inhoudt. Het hof onderzocht of de verzending van de oproepingsbrief aannemelijk was gemaakt.

Hoewel een oproepingsbrief aanwezig was met paraaf van de griffier, ontbraken stempels of aantekeningen die de verzending bevestigen. De griffier gaf geen inzicht in een vaste werkwijze die de verzending garandeert. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de brief tijdig aan betrokkene was verzonden.

Het hof oordeelde dat deze schending van het recht op hoor en wederhoor zo fundamenteel is dat het appelverbod doorbroken moet worden. De zaak wordt aangehouden en betrokkene krijgt de gelegenheid zijn standpunt mondeling toe te lichten tijdens een zitting van het hof.

Uitkomst: Het hof doorbreekt het appelverbod wegens schending van het recht op hoor en wederhoor en houdt de zaak aan voor mondelinge behandeling.

Uitspraak

WAHV 200.071.685
23 mei 2011
CJIB 131669706
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Arnhem
van 8 juni 2010
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Arnhem genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 29 november 2010 heeft de griffier van het hof de griffier van de rechtbank verzocht om aanvullende informatie.
De griffier van de rechtbank heeft aanvullende informatie in het geding gebracht.
Beoordeling
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV Pro kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 60,-. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de betrokkene in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2. De betrokkene klaagt erover dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen en daardoor zijn bezwaar niet heeft kunnen toelichten. Naar het hof begrijpt stelt de betrokkene zich op het standpunt dat zijn recht op hoor en wederhoor hierdoor is geschonden.
3. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appèlverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor kan sprake zijn indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt.
4. Artikel 12, eerste lid, WAHV luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
"De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen."
5. Bij de stukken van het geding bevindt zich een correct geadresseerde en aan de betrokkene gerichte oproepingsbrief van 13 april 2010 voorzien van een paraaf van de griffier. Echter, niet blijkt, uit een aantekening of stempel, dat een afschrift van deze oproepingsbrief aan de betrokkene is verzonden.
6. Niettemin zou de verzending van de brief door de griffie van de rechtbank aannemelijk gemaakt kunnen worden door middel van een uiteenzetting van een vaste werkwijze die voldoende waarborgen bevat om het verzonden zijn van de brief te garanderen. De schriftelijke mededeling van de griffier van de rechtbank naar aanleiding van het verzoek om aan te geven op basis waarvan de verzending kan worden aangenomen, inhoudende "De datum 13 april 2010 die in de brief staat vermeld, is de datum van verzending", biedt echter geen enkel inzicht in de werkwijze van de griffie met betrekking tot de verzending van stukken.
7. Nu niet aannemelijk is geworden dat de oproepingsbrief tijdig aan de betrokkene is verzonden, is sprake van een zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV moet worden doorbroken. Het hof zal daarom - onder aanhouding van iedere verdere beslissing in deze zaak - de betrokkene in de gelegenheid stellen zijn standpunt mondeling toe te lichten ter zitting van het hof.
Beslissing
Het gerechtshof:
bepaalt dat de zaak zal worden behandeld ter zitting van het hof;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Sekeris en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.