ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7124

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
6 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-003172-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid met werkstraf

Op 6 oktober 2007 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid door onverhoeds van achteren het kruis van het slachtoffer over de kleding heen te betasten. De rechtbank Groningen veroordeelde verdachte hiervoor, waarna hij hoger beroep instelde dat zich beperkte tot dit feit.

Het Gerechtshof Leeuwarden heeft het hoger beroep behandeld op 23 mei 2011 en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het oordeel aan het hof was onderworpen. Het hof achtte het bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, gesteund op verklaringen van het slachtoffer en een getuige, die consistent en betrouwbaar werden bevonden.

De strafoplegging is een werkstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze straf is passend geacht gezien de ernst van het feit, het onacceptabele karakter van het grensoverschrijdende gedrag en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Tevens constateert het hof een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, zonder dat dit tot strafvermindering leidt.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-003172-08
Uitspraak d.d.: 6 juni 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 22 december 2008 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1977],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is bij akte beperkt tot hetgeen de rechtbank heeft beslist met betrekking tot feit 1.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.P. Eckert, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 06 oktober 2007, althans in of omstreeks oktober 2007, in de gemeente [gemeente], door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het over de kleding heen betasten en/of bevoelen, althans aanraken, van het kruis en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds van achteren bevoelen en/of betasten, althans aanraken, van het kruis en/of de schaamstreek van die [slachtoffer].
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het door verdachte en zijn raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijs-middelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en getuige [getuige] - voor zover voor het bewijs gebezigd - te twijfelen. Beiden zijn zowel door de politie als - op verzoek van verdachte - door de rechter-commissaris gehoord en hebben met betrekking tot de kern van het aan verdachte ten laste gelegde overeenkomend verklaard.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1:
hij omstreeks 06 oktober 2007, in de gemeente [gemeente], door een andere feitelijkheid
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het over de kleding heen betasten van het kruis van die [slachtoffer] en bestaande die andere feitelijkheid uit het onverhoeds van achteren betasten van het kruis van die [slachtoffer].
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzittingen is gebleken.
Verdachte heeft zich omstreeks 6 oktober 2007 tijdens het uitgaan schuldig gemaakt aan het plegen van een ontuchtige handeling jegens aangeefster [slachtoffer]. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] door onverhoeds van achteren het kruis van die [slachtoffer] te betasten. Het in seksueel opzicht grensoverschrijdende gedrag van verdachte is onacceptabel.
Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2011 blijkt, dat verdachte niet eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.
Gelet op het vorenstaande is het hof - evenals de rechtbank en de advocaat-generaal - van oordeel dat oplegging van een werkstraf van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, passend en geboden is. De deels voorwaardelijk op te leggen straf met een proeftijd van twee jaren dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten zal begaan.
Het hof stelt voorts vast dat in de appèlfase de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden, nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Het hof zal - mede gelet op de duur van de hierna op te leggen werkstraf - volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van Pro het EVRM.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 6 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.