ECLI:NL:GHLEE:2011:BP5156

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
18 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-001597-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet Werk en BijstandArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 227b SrArt. 3 lid 4 Wet Werk en Bijstand
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijk niet voldoen aan inlichtingenplicht WWB

Verdachte werd ten laste gelegd dat zij tussen 1 juni 2008 en 31 oktober 2008 in de gemeente [gemeente 1] opzettelijk naliet tijdig schriftelijke gegevens te verstrekken aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD), terwijl dit kon leiden tot bevoordeling van zichzelf. Het ging om het niet melden van het feit dat zij haar hoofdverblijf niet had op het geregistreerde adres, wat van belang was voor de vaststelling van haar recht op een WWB-uitkering.

Het hof achtte bewezen dat verdachte bewust deze informatie niet verstrekte, waarmee zij de wettelijke inlichtingenplicht uit artikel 17 van Pro de Wet Werk en Bijstand schond. Verdachte werd strafbaar geacht en strafuitsluitingsgronden werden niet aanvaard. In de strafmotivering nam het hof mee dat de uitkering een vangnet is voor mensen die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien en dat het opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht de integriteit van het systeem schaadt.

Gezien de relatief beperkte duur van de overtreding en het feit dat verdachte als 'first offender' werd beschouwd, achtte het hof een werkstraf van 30 uur passend, met een vervangende hechtenis van 15 dagen voor het geval de werkstraf niet wordt uitgevoerd. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis wegens opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke inlichtingenplicht WWB.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001597-09
Parketnummer eerste aanleg: 19-613003-09
Arrest van 18 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 19 juni 2009 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1978] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte,
mr. R. Bosma, advocaat te Assen.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Assen integraal zal bevestigen.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
zij op een of meer tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 01 juni 2008 tot en met 31 oktober 2008, in de gemeente [gemeente 1], in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Wet Werk of Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens -schriftelijk - te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering via de ISD (Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten [gemeente 2], [gemeente 3] en [gemeente 1]), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan die ISD opzettelijk in het geheel niet -schriftelijk- gemeld dat zij in voormelde periode
- een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 lid 4 van Pro de Wet Werk Bijstand heeft
gevoerd en/of
- haar hoofdverblijf in [woonplaats], althans elders dan in [plaats] heeft gehad, zulks terwijl dat toen
(telkens) wel het geval was.
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat:
zij in de periode van 01 juni 2008 tot en met 31 oktober 2008, in de gemeente [gemeente 1], in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Wet Werk of Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens -schriftelijk - te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering via de ISD (Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten [gemeente 2], [gemeente 3] en [gemeente 1]), dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, aan die ISD opzettelijk in het geheel niet -schriftelijk- gemeld dat zij in voormelde periode
- haar hoofdverblijf elders dan in [plaats] heeft gehad, zulks terwijl dat toen telkens wel het geval was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dit feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl zij weet dat die gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft gedurende een periode van vijf maanden nagelaten om de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten [gemeente 2], [gemeente 3] en [gemeente 1], waarvan zij een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand ontving, op de hoogte te stellen van het feit dat zij niet of nauwelijks woonde of verbleef op het bij die Dienst geregistreerde woonadres [adres] te [plaats]. Deze omstandigheid zou, indien wèl opgegeven, van invloed kunnen zijn geweest op verdachtes recht op die uitkering, dan wel op de hoogte daarvan. Een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand wordt gefinancierd uit de algemene middelen en beoogt een vangnet te zijn voor slechts diegenen, die niet (volledig) in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Indien men een dergelijke uitkering ontvangt, brengt dat verplichtingen mee. Zo dient men de Dienst op de hoogte te stellen van - onder meer - woonomstandigheden en wijzigingen daarin. Het is vervolgens aan de Dienst om te bepalen of de verstrekte informatie gevolgen dient te hebben voor het recht op uitkering. Verdachte heeft opzettelijk niet aan die op haar rustende (wettelijke) inlichtingenplicht voldaan.
Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 10 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar tevens dat dit niet heeft geleid tot een veroordeling. Verdachte dient derhalve te worden aangemerkt als "first offender".
Het vorenstaande in aanmerking nemende alsmede de relatief beperkte periode waarin het bewezen verklaarde is begaan, acht het hof de door de politierechter in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde strafafdoening passend. Aan verdachte zal daarom een werkstraf worden opgelegd van na te melden duur.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier.