ECLI:NL:GHLEE:2011:BP3606
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- W.M. van Schuijlenburg
- S. Zwerwer
- J.A.A.M. van Veen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte mensenhandel wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid prostitutie minderjarige
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mensenhandel met betrekking tot een minderjarige, waarbij hem werd verweten haar te hebben aangezet tot seksuele handelingen tegen betaling en haar te hebben uitgebuit in de prostitutie. De tenlastelegging omvatte perioden van november 2002 tot augustus 2006, met diverse gedragingen zoals het geven van cadeaus, het bieden van onderdak, het gebruik van dwang en misbruik van een kwetsbare positie.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het hof oordeelde dat niet is komen vast te staan dat verdachte de minderjarige naar prostitutie heeft gebracht of haar daartoe heeft gedwongen. Hoewel verdachte invloed heeft gehad op het proces waarbij het slachtoffer in de prostitutie terechtkwam, kon niet worden vastgesteld dat deze invloed strafrechtelijk verwijtbaar was.
De verklaring van het slachtoffer was niet eenduidig en werd door het hof als minder betrouwbaar beoordeeld, mede door tegenstrijdigheden met politiegegevens. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het derde ten laste gelegde feit en bevestigde de vrijspraak voor de overige feiten.
De advocaat-generaal had een gevangenisstraf van elf maanden geëist, waarvan vier voorwaardelijk, maar het hof verwierp deze vordering en sprak verdachte vrij. De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor strafrechtelijke aansprakelijkheid bij complexe mensenhandelzaken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mensenhandel wegens onvoldoende bewijs voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid.