ECLI:NL:GHLEE:2010:BM9898

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
6 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.040.783
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • Dijkstra
  • Beswerda
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AWBArt. 6:6 AWBArt. 2 WAHVArt. 13 WAHVArt. 13a WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens negeren verkeerslicht en voorsorteerstrook

Betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor het negeren van een rood verkeerslicht op een kruispunt in Weesp. De kantonrechter matigde de sanctie, maar de officier van justitie verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden. Het hof vernietigt beide beslissingen omdat de officier te vroeg handelde en de kantonrechter niet bevoegd was inhoudelijk te oordelen zonder vernietiging van de officierbeslissing.

Het hof stelt vast dat betrokkene het verkeerslicht mogelijk niet bij rood heeft gepasseerd, maar wel de voorsorteerstrook niet heeft gevolgd door linksaf te slaan terwijl zij voorgesorteerd stond voor rechtdoor. Dit is een andere overtreding met dezelfde sanctiehoogte. De inleidende beschikking wordt dienovereenkomstig gewijzigd.

Verder veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, waaronder reiskosten voor de zitting. Het arrest is gewezen door drie rechters en uitgesproken in openbare zitting.

Uitkomst: Het hof vernietigt eerdere beslissingen, wijzigt de sanctie naar het niet volgen van de voorsorteerstrook en veroordeelt tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

WAHV 200.040.783
6 april 2010
CJIB 125283332
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 19 juni 2009
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 75,-. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het bij hem ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het bedrag van de sanctie gesteld op € 75,-.
2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden vernietigd.
Allereerst omdat de kantonrechter zijn beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd.
Ten tweede omdat de kantonrechter ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat de betrokkene geen gronden heeft opgegeven voor haar beroep tegen de inleidende beschikking. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter had het bij hem ingestelde beroep ongegrond moeten verklaren, maar heeft zich daarentegen inhoudelijk uitgelaten over de opgelegde sanctie.
Tot slot stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie ten onrechte op € 75,- heeft gesteld. Gelet op de verklaring van de verbalisant staat de gedraging voldoende vast, zodat terecht een sanctie van € 150,- is opgelegd. Van enige reden die kan leiden tot matiging is niet gebleken, aldus de officier van justitie.
3. Door de bezwaren van de betrokkene tegen de inleidende beschikking te behandelen, was de kantonrechter kennelijk van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie tot niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte was gegeven. De kantonrechter had tot dit oordeel pas kunnen komen na vernietiging van de beslissing van de officier van justitie. Nog daargelaten de vraag of deze beslissing van de officier van justitie juist is, kan de beslissing van de kantonrechter reeds daarom niet in stand blijven. In overeenstemming met artikel 20d, eerste lid, WAHV zal het hof na vernietiging van de beslissing van de kantonrechter doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
4. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.
Bij brief van 23 december 2008 heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de officier van justitie. Daarbij heeft de betrokkene aangegeven dat zij de gronden van het beroep zal formuleren na ontvangst van de door haar gevraagde stukken.
De officier van justitie heeft de betrokkene bij brief van 21 januari 2009 gewezen op het verzuim de gronden van het beroep op te geven en de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van de brief - derhalve voor 18 februari 2009 - het verzuim te herstellen. Daarbij heeft de officier van justitie de betrokkene eveneens gewezen op de gevolgen van het niet opgeven van de gronden van het beroep.
Bij brief van 26 januari 2009 heeft de betrokkene op voornoemd schrijven van de officier van justitie gereageerd en daarbij nogmaals medegedeeld dat zij de gronden van het beroep pas kan formuleren na ontvangst van de gevraagde stukken.
Vervolgens heeft de officier van justitie bij beslissing van 8 februari 2009 het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene nalatig is gebleven de gronden waarop het beroepschrift berust op te geven. Bij de beslissing heeft de officier van justitie de door de betrokkene gevraagde stukken overgelegd.
5. Het hof stelt vast dat de officier van justitie reeds een beslissing op het beroep had genomen, terwijl de gestelde termijn voor het indienen van gronden nog niet was verstreken. Weliswaar heeft de betrokkene bij brief van 26 januari 2009 aangegeven dat zij van mening was dat zij de gronden van het beroep niet kon opgeven, maar de officier van justitie had hierin geen aanleiding mogen zien de termijn voor het indienen van gronden niet af te wachten. Derhalve kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand blijven. Vervolgens dient het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de inleidende beschikking te behandelen.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 150,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht” (feitcode R602), welke gedraging zou zijn verricht op 13 november 2008 om 10.15 uur op de Plataanlaan te Weesp met het voertuig met het kenteken [AB-AB-00].
7. De betrokkene ontkent dat zij niet is gestopt voor het rode verkeerslicht. Hiertoe voert zij aan dat zij bij de verkeerslichten stond voorgesorteerd in de richting rechtdoor. Het verkeerslicht voor de richting linksaf straalde rood licht. Op het moment dat het verkeerslicht voor de richting rechtdoor groen licht ging stralen, is de betrokkene het kruispunt opgereden. De echtgenoot van de betrokkene ontdekte dat zij in plaats van rechtdoor linksaf moesten slaan. Op het kruispunt is de betrokkene daarom alsnog linksaf geslagen. Er was op dat moment geen verkeer dat werd gehinderd.
8. De in het zaakoverzicht van het CJIB opgenomen ambtsedige verklaring van de verbalisant houdt onder meer het volgende in:
“Het verkeerslicht stond ongeveer 5 seconden op rood op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding verkeerslicht: Casparuslaan/Plataanlaan.
Betrokkene reed linksaf de Casparuslaan op”.
9. Van belang voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, is dat de betrokkene het verkeerslicht bij rood licht is gepasseerd. De betrokkene stelt echter het verkeerslicht bij groen te zijn gepasseerd en na het passeren een andere richting te hebben gekozen. Gelet op hetgeen de betrokkene naar voren heeft gebracht en in aanmerking genomen dat de verklaring van de verbalisant die gestelde gang van zaken niet uitsluit, is bij het hof gerede twijfel ontstaan omtrent de vraag of de betrokkene de gedraging heeft verricht.
10. Het voorgaande brengt echter niet mee dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden. De betrokkene stond voorgesorteerd in de richting voor rechtdoor, maar is linksaf geslagen. Derhalve heeft de betrokkene op een kruising niet de richting gevolgd die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevond aangaf. Deze gedraging is in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, WAHV opgenomen onder feitcode R619. De hoogte van de daarbij behorende sanctie is gelijk aan die welke is gesteld onder feitcode R602, die in de inleidende beschikking is vermeld. Nu de betrokkene naar het oordeel van het hof daardoor niet in haar verdedigingsbelangen wordt geschaad, zal het hof de inleidende beschikking voor zover daarin de feitcode R602 en als gedraging “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht” is opgenomen, wijzigen in de feitcode R619 met als gedraging: “als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser die de rijbaan volgt op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft”.
11. Aangezien de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie worden vernietigd, acht het hof termen aanwezig om de proceskosten van de betrokkene te vergoeden. Op grond van het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) komen de reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge artikel 2 van Pro het Besluit worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge dat artikel wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Aan de betrokkene komt derhalve een reiskostenvergoeding toe ter hoogte van € 14,44 ([woonplaats] –Hilversum v.v.).
12. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als volgt.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre, dat de omschrijving van de gedraging en de bijbehorende feitcode worden vastgesteld op “als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser die de rijbaan volgt op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft” (feitcode R619);
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 14,44.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.