ECLI:NL:GHLEE:2010:BL3753
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Zuidema
- Weening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering tot schorsing non-concurrentiebeding in kort geding
In deze zaak stond de vraag centraal of het non-concurrentiebeding, zoals opgenomen in artikel 13 van Pro de koopovereenkomst van 9 maart 2007, geschorst kon worden voor bepaalde werkzaamheden van appellant. Appellant verzocht om schorsing van het beding, stellende dat zijn activiteiten niet onder het beding vallen.
Het hof oordeelde dat het verzoek feitelijk neerkwam op een verklaring voor recht, die in kort geding niet kan worden gegeven. Er was geen deugdelijk onderbouwd schorsingsverzoek, waardoor het verzoek moest worden afgewezen. Daarnaast werd vastgesteld dat appellant de grenzen van het beding aftastte door werkzaamheden te verrichten voor een klant van geïntimeerde.
De voorzieningenrechter had eerder de nakoming van het non-concurrentiebeding toegewezen zonder dwangsom. Het hof vernietigde dit vonnis voor wat betreft de afwezigheid van een dwangsom en legde een dwangsom op van € 1.000 per dag met een maximum van € 100.000. De kosten werden grotendeels aan appellant opgelegd.
Ten aanzien van het non-concurrentiebeding in de adviesovereenkomst werd vastgesteld dat appellant als privé persoon geen partij was, waardoor een dwangsom daarvoor niet kon worden opgelegd. Het vonnis van de voorzieningenrechter werd in zoverre bekrachtigd, met uitzondering van de dwangsom die werd toegewezen in het principaal appel.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing non-concurrentiebeding afgewezen; dwangsom opgelegd voor niet-naleving.