ECLI:NL:GHLEE:2009:BK7507
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rowel-van der Linde
- Kuiper
- Fikkers
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging kortgedingvonnis omgangsregeling tussen ouders na echtscheiding
In deze zaak stond de uitvoering van een omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind centraal, vastgesteld bij beschikking van 7 april 2009. De moeder stelde dat de omgangsregeling moest worden opgeschort totdat de bodemrechter hierover een definitief oordeel had gegeven. Zij vorderde daarnaast dat omgang onder begeleiding zou plaatsvinden en dat de vader het paspoort van het kind zou overhandigen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen had op 11 september 2009 een kortgedingvonnis gewezen waarin de omgangsregeling werd bevestigd. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en stelde meerdere grieven op. Het hof constateerde dat het hoger beroep gericht was tegen het vonnis van 11 september 2009 en niet tegen eerdere beschikking van 7 april 2009.
Het hof nam de feiten zoals vastgesteld door de voorzieningenrechter over en oordeelde dat de moeder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sinds de vaststelling van de omgangsregeling een reële vrees voor ontvoering van het kind bestond. De door haar aangevoerde omstandigheden speelden zich af vóór de behandeling van het kort geding. De grieven faalden en de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid werd afgewezen.
De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en wees de incidentele vordering af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het kortgedingvonnis en wijst de incidentele vordering tot schorsing af.