ECLI:NL:GHLEE:2009:BK4276
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Streppel
- Breemhaar
- Fikkers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwerping beroep op verjaring in nalatenschapsvordering en toepassing natuurlijke verbintenis
In deze zaak stond het geschil tussen appellant en de erfgenamen van de erflaatster centraal over de nalatenschap van hun moeder/grootmoeder. Appellant stelde een beroep op verjaring van enkele geldvorderingen uit de nalatenschap, waaronder leningen en achterstallige pachtpenningen. De rechtbank had dit beroep afgewezen en de vorderingen toegewezen.
In hoger beroep richtte appellant zich tegen deze verwerping van het verjaringsverweer. Het hof overwoog dat het niet nodig was om te beslissen of het verjaringsverweer slaagt, omdat zelfs als dat zo zou zijn, de vorderingen als natuurlijke verbintenissen zouden blijven bestaan. Volgens artikel 3:184 lid 1 BW Pro en 4:228 lid 1 BW kan bij verdeling van een gemeenschap worden toegerekend wat een deelgenoot aan de gemeenschap schuldig is.
Het hof bevestigde de lijn uit de literatuur dat natuurlijke verbintenissen niet afdwingbaar zijn, maar dat de toerekening op het aandeel in de nalatenschap hierop een uitzondering vormt. Bovendien oordeelde het hof dat het onaanvaardbaar is dat appellant zich op verjaring beroept, omdat het gaat om geldleningen van een moeder aan haar kind, en het afdwingen hiervan de familierelatie ernstig zou verstoren.
De grieven van appellant faalden en het hof bekrachtigde de bestreden vonnissen. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst het beroep op verjaring af.