ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7384

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
27 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-001685-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 423 lid 2 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing zaak wegens onjuiste informatie over aard van zitting en schending aanwezigheidsrecht

De verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld door de politierechter in Groningen. Verdachte was niet verschenen omdat hij een afstandverklaring had ondertekend waarin stond dat het om een raadkamerzitting ging. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij niet hoefde te verschijnen bij een terechtzitting, mede omdat hem door overheidsfunctionarissen onjuiste informatie was verstrekt.

In hoger beroep stelde de raadsman dat het niet aan verdachte te wijten was dat hij zijn aanwezigheidsrecht niet had kunnen uitoefenen. Het hof achtte dit aannemelijk, mede omdat verdachte preventief gedetineerd zat in een andere strafzaak waarbij een raadkamerzitting aan de orde was.

Het hof oordeelde dat de rechter in eerste aanleg niet aan de behandeling ten gronde had mogen toekomen en vernietigde het vonnis. De zaak werd terugverwezen naar de politierechter in Groningen voor een nieuwe behandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de politierechter voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001685-08
Parketnummer eerste aanleg: 18-650443-08
Arrest van 27 augustus 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 12 juni 2008 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1971] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Beslissing op het door de raadsman gevoerde verweer
De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechter in eerste aanleg op grond van artikel 423, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet in overwegende mate aan verdachte - die niet ter terechtzitting in eerste aanleg is verschenen - te wijten is geweest dat hij in eerste aanleg niet - hetgeen hij wel wenste - gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Verdachte is in eerste aanleg d.d. 12 juni 2008 bij verstek veroordeeld. De inleidende dagvaarding was niet in persoon, maar wel rechtsgeldig betekend. Ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg zat verdachte uit anderen hoofde gedetineerd. Er zit een afstandverklaring in het dossier, door verdachte getekend, om op 12 juni 2008 te verschijnen. Op deze verklaring is aangegeven dat het gaat om een raadkamerzitting van de rechtbank Groningen.
Ter terechtzitting van het hof is door en namens verdachte aangevoerd, dat verdachte de terechtzitting in de onderhavige zaak had willen bijwonen om zich persoonlijk te verdedigen. Hij had weliswaar een afstandverklaring ondertekend, maar alleen omdat hij in de veronderstelling was dat de afstandverklaring een raadkamerzitting betrof. Op de afstandverklaring staat ook vermeld dat de afstandverklaring betrekking had op een raadkamerzitting. Verdachte heeft aangevoerd dat, toen hij bij de betreffende ambtenaar informeerde of het toch niet een terechtzitting betrof, deze hem verzekerde dat het om een raadkamerzitting ging.
Het hof overweegt dat de door de raadsman geschetste gang van zaken aannemelijk is geworden, mede in aanmerking genomen dat verdachte ten tijde van het doen van afstand preventief gedetineerd zat in een andere strafzaak, waarin een raadkamerzitting in verband met de voorlopige hechtenis aan de orde kon zijn. Het bij verdachte ontstane misverstand omtrent de aard van de zitting is naar het oordeel van het hof hoofdzakelijk te wijten aan de onjuiste informatie die hem door overheidsfunctionarissen is verstrekt. Dit brengt mee, dat de rechter in eerste aanleg onder voornoemde omstandigheden niet aan de behandeling ten gronde had mogen toekomen.
Aangezien door verdachte terugwijzing naar dezelfde rechtbank ter terechtzitting is verlangd, zal het hof, gelet op artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak terugwijzen naar de eerste rechter.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Groningen, teneinde, met inachtneming van dit arrest, na hernieuwde oproeping van de verdachte het onderzoek opnieuw aan te vangen en deze zaak voor wat betreft dat feit op de inleidende dagvaarding opnieuw te berechten en af te doen.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. G. Dam en mr. S.J. van der Woude, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier, zijnde mr. Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.