ECLI:NL:GHLEE:2009:BI5116

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.011.084/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Zuidema
  • Kuiper
  • Breemhaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgangsregeling en afwijzing verhuisverbod in familierechtelijke procedure

In deze zaak tussen de man en de vrouw heeft het hof Leeuwarden het hoger beroep behandeld over onder meer een verhuisverbod en omgangsregelingen met twee minderjarige kinderen.

De man verzocht om een verhuisverbod voor de vrouw, maar het hof oordeelde dat dit verzoek als eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde, mede omdat een gelijk verzoek reeds door de voorzieningenrechter was afgewezen. Het hof bevestigde dat het verhuisverbod feitelijk neerkomt op een gebod tot terugverhuizing, wat niet past binnen voorlopige voorzieningen.

Ten aanzien van de omgangsregeling met de eerste minderjarige werd bevestigd dat de onbegeleide omgang geheel was stopgezet en dat de man geen recht heeft op wijziging van de gewone verblijfplaats. Voor de tweede minderjarige stelde het hof een omgangsregeling vast van eenmaal per veertien dagen van donderdag 15.00 uur tot vrijdag 17.00 uur, waarbij de vrouw verantwoordelijk is voor het brengen en halen bij de man thuis.

Het hof legde een dwangsom op voor de vrouw bij overtreding van deze regeling en compenseerde de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het hof adviseerde partijen om mediation te overwegen om verdere procedures te voorkomen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de bodemrechter, wijst het verhuisverbod af en bevestigt de omgangsregeling met de tweede minderjarige met een dwangsom voor de vrouw.

Uitspraak

Arrest d.d. 12 mei 2009
Zaaknummer 200.011.084/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
appellant in het principaal en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in het principaal en appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.
Het hof neemt over hetgeen is overwogen en beslist in het tussenarrest van 16 december 2008.
Het verdere procesverloop
De man heeft alsnog een memorie van antwoord in het incidenteel appel zijdens de vrouw genomen.
Vervolgens heeft de man de stukken wederom overgelegd en arrest verzocht.
De beoordeling
Voorts met betrekking tot de ontvankelijkheid
1. De man heeft aangevoerd dat hij in zijn, bij wege van vermeerdering van eis, gedane verzoek om de vrouw alsnog een verhuisverbod op te leggen, door het hof bij tussenarrest op onjuiste gronden niet-ontvankelijk is verklaard. De man stelt dat de bodemrechter in de beschikking van 5 augustus 2008 niet het verhuisverbod naar Limburg heeft afgewezen, doch een eerder verzocht verhuisverbod naar het buitenland. De voorzieningenrechter in het vonnis van 29 augustus 2008 en het hof bij het tussenarrest hebben zulks miskend.
Volgens de man staat dit eerdere verzoek betreffende het verhuisverbod vermeld in zijn zelfstandig verzoek bij het verweer tegen het echtscheidingsverzoek. In het thans als productie 3 overgelegde verweerschrift d.d. 30 mei 2007 in verband met verzoek wijziging voorlopige voorzieningen, tevens zelfstandig verzoek, wordt evenwel niet over een verhuisverbod gerept. Wellicht is uit de veelheid van tussen partijen gewisselde processtukken niet het juiste stuk bijgevoegd.
2. Aangenomen dat het door de bodemrechter op 5 augustus 2008 afgewezen verhuisverbod inderdaad een ander verhuisverbod is dan het thans verzochte verhuisverbod, oordeelt het hof dat alsdan de eisvermeerdering in strijd met de eisen van een goede procesorde is, nu de voorzieningenrechter op 29 augustus 2008 een verzoek betreffende een verhuisverbod dat wel onmiskenbaar gelijk is aan dat van de eisvermeerdering heeft afgewezen en de vermeerdering van eis moet worden aangemerkt als een verkapt appel tegen dit kort geding vonnis.
Het hof ziet dan ook geen redenen om op het in het tussenarrest gegeven oordeel terug te komen.
3. Ten overvloede voegt het hof daar nog aan toe dat de vrouw thans reeds geruime tijd in het noorden van Limburg woonachtig is. Toewijzing van het verhuisverbod komt in wezen neer op een gebod om terug te verhuizen naar Groningen. Zulks gaat het bestek van een voorlopige voorziening te buiten.
De omgangsregeling met [minderjarige 1]
4. Het hof heeft in het tussenarrest reeds aangegeven dat het hof, als voorzieningenrechter, in beginsel de beslissingen van de bodemrechter heeft te volgen. Gelet op diens beschikking van 5 augustus 2008 - waarbij de onbegeleide omgangsregeling van de man met [minderjarige 1] geheel is stopgezet - is geen plaats voor toewijzing van de in appel gehandhaafde vordering om te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man zal zijn. De subsidiaire vordering tot handhaving van de voorheen bestaande omgangsregeling is, gelet op hetgeen het hof daarover in rechtsoverweging 3.2. van het tussenarrest reeds heeft overwogen, evenmin toewijsbaar.
De grieven van de man, voor zover zij de afwijzing van zijn vorderingen aanvechten, treffen dan ook geen doel.
De omgangsregeling met [minderjarige 2]
5. De bodemrechter heeft op 5 augustus 2008 bepaald dat de man met [minderjarige 2] een omgangsregeling zal hebben van eenmaal per veertien dagen van donderdag 15.00 uur tot vrijdag 17.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige 2] moet brengen en halen. Deze regeling is qua duur gelijk aan die welke is opgenomen in het kortgedingvonnis van 20 juni 2008 waarvan beroep, zij het dat daarin was bepaald dat de man [minderjarige 2] moest brengen.
6. De man wil een ruimere omgangregeling. Daarvan heeft het hof in het tussenarrest reeds uitgesproken dat deze wens reeds afstuit op het beginsel dat het hof zich als voorzieningenrechter voegt naar het oordeel van de bodemrechter.
7. De vrouw wil dat het halen en brengen niet bij de man thuis gebeurt, maar bij kinderdagverblijf Dinky aan de Hereweg te Groningen. De man heeft dit bestreden.
8. Het hof ziet geen aanleiding om op dit punt af te wijken van het oordeel van de bodemrechter, zodat het hof zal bepalen dat de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 2] zal plaatshebben eenmaal per veertien dagen van donderdag 15.00 uur tot vrijdag 17.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige 2] brengt en haalt bij de man thuis. Het hof ziet geen reden om de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom te wijzigen, zodat het hof deze dwangsom ook aan de nieuw geformuleerde omgangsregeling zal verbinden. De man heeft aangegeven thans nog niet op enige dwangsom aanspraak te hebben gemaakt, zodat over de op grond van het vonnis in eerste aanleg mogelijk reeds verbeurde dwangsommen geen beslissing behoeft te worden genomen.
De proceskosten
9. De vrouw heeft verzocht de man in de proceskosten te veroordelen omdat de man "blijft procederen". Het hof stelt vast dat partijen over en weer elkaar bestoken met procedures, waarbij ook de vrouw nadrukkelijk haar partij meeblaast. Het hof acht dan ook geen reden aanwezig om in dit geval af te wijken van de lijn dat in familierechtelijke procedures de kosten gecompenseerd worden. Wel geeft het hof beide partijen ernstig in overweging om te bezien of zij hun onderlinge communicatie met behulp van derden - waarbij het hof wijst op de mogelijkheid van mediation - zodanig kunnen verbeteren dat de stroom van procedures niet langer noodzakelijk is.
De slotsom
10. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen met uitzondering van onderdeel van het dictum onder 5.2 en 5.3, waarvoor het hof zal bepalen hetgeen hiervoor onder 8 is bepaald.
Het hof zal de kosten van de procedure compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
De beslissing
Het gerechtshof:
I. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met uitzondering van het onderdeel van het dictum onder 5.2 en 5.3 en in zoverre opnieuw rechtdoende,
II. bepaalt dat de man gerechtigd is [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen van donderdagmiddag 15.00 uur tot vrijdagmiddag 17.00 uur bij zich te ontvangen waarbij de vrouw [minderjarige 2] brengt en haalt bij de man thuis;
III. bepaalt dat de vrouw voor iedere keer dat zij handelt in strijd met het onder II bepaalde aan de man een dwangsom verbeurt van € 250,-- tot een maximum van € 5.000,--;
IV. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
V. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;
VI compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Kuiper en Breemhaar, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 12 mei 2009 in bijzijn van de griffier.