ECLI:NL:GHLEE:2009:BI2563

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
107.001.683/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Bock
  • Verschuur
  • Breemhaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 RvBetekenisverordening (Vo.1348/2000)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek om informatie en stukken na afwijzing vordering in eerdere procedure

In deze civiele zaak is appellant in eerste aanleg in het ongelijk gesteld door de kantonrechter Leeuwarden, die zijn vordering afwees omdat eenzelfde vordering eerder was afgewezen in een vonnis van 26 oktober 2004 tussen dezelfde partijen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing en voerde twee grieven aan.

Het hof constateerde dat het eerdere vonnis en het procesdossier niet in het geding waren gebracht door partijen, waardoor het hof niet kon beoordelen of sprake was van dezelfde vordering. Daarom werd appellant opgedragen deze stukken alsnog in te brengen en toe te lichten waarom volgens hem geen sprake is van dezelfde vordering. Tevens moest een volledige dagvaarding in eerste aanleg worden overgelegd.

Het hof verwees de zaak naar de rol van 19 mei 2009 voor het nemen van een akte door appellant, waarna geïntimeerde de mogelijkheid krijgt te reageren. Tot die tijd hield het hof iedere nadere beslissing aan. Het arrest werd uitgesproken door de derde kamer voor burgerlijke zaken van het gerechtshof Leeuwarden op 21 april 2009.

Uitkomst: De zaak is verwezen naar de rol voor nadere stukken en toelichting, verdere beslissing is aangehouden.

Uitspraak

Arrest d.d. 21 april 2009
Zaaknummer 107.001.683/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats geïntimeerde], Bondsrepubliek Duitsland,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de rolbeschikking van 22 augustus 2006 alsmede het vonnis uitgesproken op 7 november 2006 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden, hierna te noemen: de kantonrechter.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 25 januari 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 7 november 2006 met dagvaarding van [geïntimeerde], op de voet van art. 56 Rv Pro jo. de Betekenisverordening (Vo.1348/2000 van de EG van d.d. 29 mei 2000) tegen de zitting van 4 april 2007.
De conclusie van de memorie van grieven luidt:
"bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar het op 7 november 2006 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden tussen partijen gewezen vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende geïntimeerde alsnog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant te betalen een bedrag ad € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde], onder overlegging van een productie, verweer gevoerd met als conclusie:
"het hoger beroep van appellant (appèldagvaarding d.d. 25-02-2007) afwijzen en appellant tot betaling van de proceskosten. "
Tenslotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen, zo blijkt uit r.o. 5.2 van het bestreden vonnis, omdat dezelfde vordering die [appellant] thans in de onderhavige procedure heeft ingesteld jegens [geïntimeerde], in een eerder vonnis van 26 oktober 2004 van de kantonrechter te Leeuwarden in een procedure tussen dezelfde partijen, is afgewezen.
2. [appellant] komt bij grief I op tegen deze beslissing van de kantonrechter.
Het hof overweegt dat het betreffende vonnis zich niet in het dossier van [appellant] bevindt - [geïntimeerde] heeft in het geheel geen dossier overgelegd -, zodat thans eerst aan [appellant] zal worden opgedragen bij akte dit vonnis in het geding te brengen. Daarbij zal [appellant] ook het procesdossier van die procedure in het geding moeten brengen, zodat het hof kan vaststellen of sprake is van 'dezelfde vordering' als thans aan de orde is.
Zo nodig kan [appellant] in zijn akte nader aangeven waarom volgens hem géén sprake is van 'dezelfde vordering'.
2.1 [appellant] zal eveneens een kopie van de volledige dagvaarding in eerste aanleg alsnog dienen over te leggen, aangezien het thans overgelegde dossier een
- waarschijnlijk ongenummerde - bladzijde drie ontbreekt.
3. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant], waarna [geïntimeerde] desgewenst een antwoord-akte kan nemen.
4. Iedere nadere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
Het gerechtshof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 19 mei 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant], als omschreven in r.o. 2 van dit arrest;
houdt iedere nadere beslissing aan.
Aldus gewezen door mrs. De Bock, voorzitter, Verschuur en Breemhaar, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 21 april 2009.