ECLI:NL:GHLEE:2009:BH9835

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
107.002.385/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mollema
  • Verschuur
  • Breemhaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verzetvonnis inzake dwangbevel van Informatie Beheer Groep

In deze zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen twee vonnissen van de rechtbank Groningen, gewezen op 1 augustus 2007 en 26 september 2007, betreffende een dwangbevel van de Informatie Beheer Groep (IBG).

Appellant heeft geen grieven tegen het vonnis van 1 augustus 2007 ontwikkeld en wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen dit vonnis. De enige grief tegen het vonnis van 26 september 2007 betreft de stelling dat het onvermogen van appellant om tijdig bezwaar te maken tegen de beschikking van IBG van 3 juni 2006 niet voor zijn rekening en risico zou moeten komen.

Appellant voert aan dat hij psychisch niet in staat was zijn belangen te behartigen of een vertegenwoordiger te benoemen, onderbouwd met een brief van zijn psychiater. Het hof oordeelt echter dat uit deze brief niet blijkt dat appellant voor 15 juli 2005 geen bezwaar had kunnen maken. IBG heeft dit standpunt gemotiveerd betwist en er is geen aanvullend bewijs overgelegd.

Daarom faalt de grief wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof bekrachtigt het vonnis van 26 september 2007, veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep en wijst het beroep tegen het vonnis van 1 augustus 2007 af wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van 26 september 2007 en verklaart appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het vonnis van 1 augustus 2007.

Uitspraak

Arrest d.d. 17 maart 2009
Zaaknummer 107.002.385/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
appellant in de hoofdzaak,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
toevoeging,
advocaat: mr. W. Winkel, kantoorhoudende te Drachten,
tegen
Informatie Beheer Groep,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
hierna te noemen: IBG,
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.
De inhoud van het arrest van arrest van dit hof in het incident tot voeging wegens verknochtheid d.d. 2 december 2008 wordt hier overgenomen. Het hof tekent daarbij duidelijkheidshalve nog aan dat zowel in de zaak met in eerste aanleg nummer 315914 CV EXPL 07-1120, als in de zaak met in eerste aanleg nummer 317216 CV EXPL 07-1725 op 1 augustus 2007 en op 26 september 2007 afzonderlijk vonnis is gewezen.
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met (in eerste aanleg) nummer 315914 CV EXPL 07-1120:
IBG heeft de memorie van antwoord genomen, met als conclusie:
"dat de vonnissen door de rechtbank te Groningen op 26 september 2007, in beide zaken gewezen, zullen worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het verzet gegrond te verklaren met veroordeling van geïnitmeerde in de kosten van beide instantiën."
Beoordeling (in de zaak met in eerste aanleg nummer 315914 CV EXPL 07-1120):
1. Omvang van de rechtsstrijd
[appellant] is in hoger beroep gekomen tegen zowel het vonnis van 1 augustus 2007 als dat van 26 september 2007, maar heeft tegen eerstgenoemd vonnis geen grief ontwikkeld, zodat hij zijn beroep tegen dat vonnis niet kan worden ontvangen.
2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1 (a tot en met d) van het beroepen vonnis van 26 september 2007, waarvan een afschrift aan dit arrest wordt gehecht, is geen grief gericht zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan, zij het dat voor de onderhavige zaak nog slechts de feiten onder 1a en 1b relevant zijn.
Met betrekking tot de grief:
3. [appellant] heeft tegen het beroepen vonnis van 26 september 2007 één grief ontwikkeld, welke grief inhoudt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het onvermogen van [appellant] om op de voorgeschreven wijze bezwaar te maken tegen de beschikking van IBG d.d. 3 juni 2006 (zie de vaststaande feiten onder 1b) voor zijn rekening en risico komt.
Uit de toelichting op de grief blijkt dat [appellant] van mening is dat de redelijkheid en de billijkheid mee dienen te brengen dat [appellant] van zijn verplichting tot betaling van hetgeen hij uit hoofde van bedoelde beschikking en het daarop gebaseerde dwangbevel verschuldigd is, dient te worden ontheven.
4. [appellant] stelt zich, zo begrijpt het hof, op het standpunt dat hij destijds zodanig psychisch in de knoei zat dat hij niet in staat was zijn belangen te behartigen of daartoe een vertegenwoordiger te zoeken en te benoemen. Ter ondersteuning van dat standpunt beroept [appellant] zich op een brief van zijn behandelend psychiater aan de huisarts van [appellant] (productie bij memorie van grieven).
5. Wat er verder ook van dat standpunt van [appellant] zij, uit bedoelde brief kan in ieder geval niet worden afgeleid dat hij niet zodanig in staat was zijn eigen belangen te behartigen dat hij voor 15 juli 2005 geen bezwaar had (kunnen doen) maken tegen de beschikking van 3 juni 2006. Nu IBG voorts bedoeld standpunt van [appellant] gemotiveerd heeft betwist en verder bewijs ter zake niet voorligt en niet is aangeboden, kan de grief - wegens gebrek aan feitelijke grondslag - niet slagen.
De slotsom.
6. Het vonnis van 26 september 2007 waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep ( 1 punt tarief I).
De beslissing (in de zaak met in eerste aanleg nummer: 315914 CV EXPL 07-1120) :
Het gerechtshof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen het vonnis van 1 augustus 2007;
bekrachtigt het vonnis van 26 september 2007, waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van IBG tot aan deze uitspraak op € 251,-- aan verschotten en € 632,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter, mrs. Verschuur en Breemhaar, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 maart 2009 in bijzijn van de griffier.