ECLI:NL:GHLEE:2008:BE8985

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
108.004.523
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Poelman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 lid 3 WAHVWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursstrafzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om een administratieve sanctie opgelegd aan betrokkene, waarbij zekerheidstelling werd verlangd. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk omdat geen zekerheid was gesteld binnen de gestelde termijn.

Het gerechtshof Leeuwarden stelde vast dat tussen de verzending van de één na laatste en de laatste zekerheidsbrief ruim veertien maanden waren verstreken zonder aanwijsbare reden, wat een periode van inactiviteit van justitie betekende.

Hierdoor werd de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro overschreden. Het hof vernietigde daarom zowel de beslissing van de kantonrechter als de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking, en verklaarde het beroep gegrond.

Uitkomst: De beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking worden vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

WAHV 108.004.523
24 juni 2008
CJIB 49088619383
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank [woonplaats]
van 31 januari 2008
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie (CVOM) in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van de vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.
3.2. Met betrekking tot het procesverloop merkt het hof op dat de CVOM in de periode van 1 juni 2006 tot en met 16 juni 2006 vier zekerheidsbrieven heeft verzonden naar een tweetal van de betrokkene bekende adressen in [woonplaats]. Vervolgens is op 29 augustus 2007 een zekerheidsbrief aan een derde van de betrokkene bekend adres gezonden. Derhalve is er vanaf het verzenden van de één na laatste zekerheidsbrief d.d. 16 juni 2006 (verzonden op 3 juli 2006) tot het verzenden van de laatste zekerheidsbrief d.d. 29 augustus 2007 (verzonden op 29 augustus 2007) zonder aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak sprake geweest van een periode van inactiviteit van de zijde van justitie.
3.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Het hof zal derhalve de bestreden beslissing, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 12 april 2006, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 49088619383 de administratieve sanctie is opgelegd.
Dit arrest is gewezen door mr. Poelman, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.