ECLI:NL:GHLEE:2008:BC3875

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
6 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002902-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg
  • Wachter
  • Fransen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs diefstal personenauto Opel Kadett

Verdachte werd primair beschuldigd van diefstal van een Opel Kadett, subsidiair van opzetheling en meer subsidiair van vernieling en beschadiging van dezelfde auto. De auto was gestolen tussen 11 en 12 juni 2005 in Drachten en op 14 juni 2005 onbeheerd aangetroffen in Groningen.

Bij technisch onderzoek bleek een deel van de plastic kap van de stuurkolom verwijderd, waarmee het voertuig kon worden gestart. Op dit verwijderde deel werd een vingerafdruk gevonden die via dactyloscopisch onderzoek werd geïdentificeerd als die van verdachte. Er werden echter geen andere belastende sporen gevonden en het was onduidelijk waar in de auto het verwijderde kapje precies was aangetroffen.

De advocaat-generaal vorderde een veroordeling voor opzetheling, stellende dat verdachte de persoon moest zijn die de kap had verwijderd en de auto had gestart. Verdachte ontkende echter steeds alle tenlasteleggingen. Het hof oordeelde dat de enkele vingerafdruk onvoldoende bewijs vormde om verdachte te veroordelen, mede door het ontbreken van aanvullend belastend bewijs en de onduidelijkheid over de vindplaats van het kapje.

Daarom sprak het hof verdachte vrij van alle tenlasteleggingen, vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht met vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van diefstal en opzetheling wegens onvoldoende bewijs ondanks vingerafdruk op verwijderde stuurkolomkap.

Uitspraak

Parketnummer: 24-002902-06
Parketnummer eerste aanleg: 17-850119-06
Arrest van 6 februari 2008 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 1 december 2006 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1976] te [geboorteplaats],
zonder bekende woonplaats hier te lande,
thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.A. de Leeuw, advocaat te Eindhoven.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 5 juni 2007 en 23 januari 2008, alsmede op het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de subsidiair ten laste gelegde opzetheling zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.
Vrijspraak
Aan verdachte is - voor zover hier van belang en kort gezegd - ten laste gelegd:
primair:
(gekwalificeerde) diefstal van een personenauto, merk Opel, gepleegd in de periode van 11 juni 2005 tot en met 12 juni 2005 te Drachten;
subsidiair:
opzet- dan wel schuldheling van een personenauto, merk Opel, gepleegd in de periode van 11 juni 2005 tot en met 14 juni 2005 te Drachten en/of te Groningen, in elk geval in Nederland;
meer subsidiair:
vernieling en/of beschadiging en/of onbruikbaar maken van een personenauto, merk Opel, gepleegd in de periode van 11 juni 2005 tot en met 14 juni 2005 te Drachten en/of te Groningen, in elk geval in Nederland.
Uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting is het navolgende gebleken.
De personenauto, merk Opel, type Kadett Hatchback, met het kenteken [kenteken], bedoeld in het primair, subsidiair en meer subsidiair aan verdachte ten laste gelegde, is in de periode van 11 juni 2005 tot en met 12 juni 2005 in Drachten gestolen en op 14 juni 2005 in Groningen onbeheerd aangetroffen. Door de technische recherche van de politie is een (sporen)onderzoek ingesteld. Uit dat onderzoek kwam naar voren, dat een gedeelte van de plastic kap van de stuurkolom van de auto verwijderd bleek te zijn, waardoor het voertuig met behulp van de onderliggende elektrische bedrading gestart kon worden. Dit verwijderde deel van de plastic kap van de stuurkolom werd in het voertuig gevonden en op de binnenzijde van dit deel van de kap werd één dactyloscopisch spoor aangetroffen. Uit het rapport van [deskundige], plv. Unithoofd van de Unit Dactyloscopie en Identificatie van 2 februari 2006 blijkt, dat het dactyloscopisch spoor door middel van nazoekingen is geïdentificeerd op de afdruk van de linkerringvinger voorkomend op het vingerafdrukkenblad ten name van verdachte en dat de identificatie is uitgevoerd volgens de voorgeschreven methode en vaste procedure en voldoet aan de in Nederland geldende normen en eisen. Uit het op 22 juni 2007 door de inspecteur van de regiopolitie Drenthe, [verbalisant], opgemaakte proces-verbaal, waarin hij desgevraagd aanvullende informatie verstrekt over het uitgevoerde sporenonderzoek, blijkt - voor zover van belang - dat er naast het aangetroffen dactyloscopisch spoor verder geen sporen zijn gevonden en dat niet meer kan worden vastgesteld op welke plaats het verwijderde deel van de kap van de stuurkolom zich in de auto bevond.
De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof d.d. 23 januari 2008 gesteld, dat het niet anders kan dan dat verdachte de persoon is geweest die het gedeelte van de plastic kap van de stuurkolom van de auto heeft verwijderd en vervolgens het voertuig met behulp van de onderliggende elektrische bedrading heeft gestart. Dit leidt er volgens de advocaat-generaal toe dat de subsidiair ten laste gelegde opzetheling bewezen dient te worden verklaard.
De verdachte heeft van meet af aan en consequent ontkend het aan hem ten laste gelegde te hebben gepleegd.
Het hof heeft door het aantreffen van één vingerafdruk op de verwijderde kap, die blijkens het uitgevoerde dactyloscopisch onderzoek is geïdentificeerd op een afdruk van de linkerringvinger van verdachte, niet de overtuiging bekomen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft gepleegd, te minder nu ander - voor verdachte belastend - bewijsmateriaal ontbreekt en niet kan worden vastgesteld op welke plaats in de gestolen auto het ontbrekende gedeelte van de kap van de stuurkolom, waarop dat spoor is gevonden, is aangetroffen. Verdachte dient dan ook van het ten laste gelegde in alle varianten te worden vrijgesproken.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,
mr. Wachter en mr. Fransen, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier.