ECLI:NL:GHLEE:2007:BB6211

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
22 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-00593
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Melssen
  • Zwerwer
  • Bosch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring gerechtshof Leeuwarden wegens vervallen nevenzittingsplaats en verwijzing naar gerechtshof Amsterdam

In deze zaak is een wrakingsverzoek ingediend tegen een lid van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Leeuwarden, dat toen fungeerde als nevenzittingsplaats van het gerechtshof Amsterdam. De raadsman van appellant stelde dat het gerechtshof Leeuwarden niet bevoegd was om het verzoek te behandelen en dat het wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam van toepassing was.

De aanwijzing van het gerechtshof Leeuwarden als nevenzittingsplaats van het gerechtshof Amsterdam was op 1 oktober 2004 ingegaan en gold voor drie jaar. Bij een besluit van 12 september 2007 is deze aanwijzing met ingang van 1 oktober 2007 komen te vervallen, zonder overgangsregeling. Hierdoor kon het hof Leeuwarden niet meer optreden namens het gerechtshof Amsterdam.

Het hof overwoog dat bij wijziging van wetgeving op processueel terrein, zonder overgangsrecht, de wettelijke regeling geldt zoals die op het moment van handelen van toepassing is. Omdat het gerechtshof Amsterdam het enige bevoegde forum is voor het wrakingsverzoek, verklaarde het hof zich onbevoegd en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.

De stellingen over het wrakingsprotocol en het verzoek tot verschoning van de leden van het hof bleven daardoor onbesproken. De beslissing werd uitgesproken door de voorzitter en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 22 oktober 2007.

Uitkomst: Het gerechtshof Leeuwarden verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 oktober 2007
Rekestnummer 07-00593
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Beschikking in de zaak onder parketnummer 24-000761-05
van
het Openbaar Ministerie te Amsterdam
tegen
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
raadsman mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam,
op het verzoek tot wraking van mr. [raadsheer], lid van de meervoudige strafkamer van dit hof.
Het procesverloop
In de zaak met parketnummer 24-000761-05 heeft de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting gehouden op 24 augustus 2007.
Ter zitting van 24 augustus 2007 is door de raadsman van [appellant] een wrakingsverzoek ten aanzien van mr. [raadsheer], lid van de meervoudige strafkamer, ingediend.
De voorzitter heeft daarop de behandeling ter zitting geschorst. Het hof heeft, na de schorsing, bij monde van de voorzitter, medegedeeld dat mr. [raadsheer ] niet berust in de wraking.
De stukken zijn vervolgens in handen gesteld van de wrakingskamer van het hof.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de brief van mr. Hamer van 6 september 2007, welke brief is aangevuld bij brief van mr. Hamer van 7 september 2007, met bijlage.
Van mr. [raadsheer] is op 1 oktober 2007 schriftelijk bericht ingekomen dat hij van de gelegenheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord geen gebruik zal maken.
Ter zitting van 8 oktober 2007 is de zaak behandeld.
Verschenen is uitsluitend mr. Hamer, de raadsman van [appellant].
Mr. Hamer heeft ter zitting twee akten overgelegd.
Het hof heeft zich kort beraden en vervolgens, bij monde van de voorzitter, aan mr. Hamer medegedeeld dat het hof het wrakingsverzoek niet inhoudelijk zal behandelen, maar zich eerst bij beschikking zal uitlaten over het ter zitting voorgedragen beroep op de onbevoegdheid van (de leden van) het hof.
De beoordeling
1. Kort weergegeven luiden de stellingen van mr. Hamer:
(a) het gerechtshof Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof Amsterdam, is niet bevoegd om dit wrakingsverzoek te behandeling,
(b) op het onderhavige verzoek dient het wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam te worden toegepast, en
(c) de leden van het gerechtshof Leeuwarden dienen zich te verschonen.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
2. Bij besluit van 13 september 2004 (gepubliceerd in de Staatscourant van
17 september 2004 (nr. 179), is het gerechtshof Leeuwarden aangewezen als nevenzittingsplaats van het gerechtshof Amsterdam. Deze aanwijzing is geschied voor de duur van drie jaar, te rekenen vanaf 1 oktober 2004, te weten de datum van de inwerkingtreding van het besluit.
3. Op grond van het "Besluit verlenging aanwijzing strafzaken gerechtshof Amsterdam" van 12 september 2007, gepubliceerd in de Staatscourant van
20 september 2007 (nr. 182), kan het hof als juist erkennen de stelling van mr. Hamer dat de aanwijzing van het gerechtshof Leeuwarden als nevenzittingsplaats van het gerechtshof Amsterdam met ingang van 1 oktober 2007 is komen te vervallen. Een overgangsregeling is daarbij niet getroffen.
4. Mr. Hamer stelt, op grond van het vorenstaande, dat het gerechtshof Amsterdam thans bevoegd is met betrekking tot de behandeling van het wrakingsverzoek en dat het verzoek derhalve dient te worden behandeld op de locatie te Amsterdam, met de rechterlijke ambtenaren en gerechtsambtenaren die werkzaam zijn bij het gerechtshof te Amsterdam.
5. Bij verandering van wetgeving op processueel terrein dient de rechter, bij gebreke aan een andersluidende regeling van overgangsrecht, in het algemeen de wettelijke regeling toe te passen zoals die geldt ten tijde van zijn handelen. Nu het hof thans niet meer kan handelen in de hoedanigheid van het gerechtshof Amsterdam, en het gerechtshof Amsterdam het enige forum is dat bevoegd is om het onderhavige verzoek te behandelen en daarop te beslissen, dient het hof zich onbevoegd te verklaren om van de zaak (verder) kennis te nemen en zal het de zaak ter verdere behandeling verwijzen naar het gerechtshof Amsterdam.
6. Gelet op het vorenstaande kan bespreking van de stellingen zoals verwoord in rechtsoverweging 1 onder (b) en (c) achterwege blijven.
Slotsom
7. Het hof zal, gelet op het bovenstaande, beslissen als na te melden.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart zich onbevoegd om het verzoek te behandelen en daarop te beslissen;
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar het gerechtshof te Amsterdam.
Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Zwerwer en Bosch, raden, en
uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 22 oktober 2007 door de voorzitter in het bijzijn van de griffier.