ECLI:NL:GHLEE:2007:BB4170
Gerechtshof Leeuwarden
- Raadkamer
- A. Dijkstra
- H.H.A. Fransen
- H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid raadkamer bij verzoek schorsing voorlopige hechtenis na schorsing zitting
In deze zaak stond de vraag centraal of de raadkamer van het hof bevoegd is om te beslissen over een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis nadat de openbare terechtzitting was aangevangen en vervolgens geschorst. De advocaat-generaal stelde dat na aanvang van de zitting alleen de zittingsrechter bevoegd zou zijn, maar het hof verwierp dit standpunt.
Het hof benadrukte dat het systeem van het Wetboek van Strafvordering in beginsel voorziet dat beslissingen omtrent voorlopige hechtenis in raadkamer worden genomen, behalve in specifieke gevallen zoals een verzoek tot opheffing of schorsing tijdens de openbare terechtzitting. Het bevel tot voorlopige hechtenis blijft krachtig tot zestig dagen na de einduitspraak, en de duur van schorsing van het onderzoek is aan termijnen gebonden.
Het hof oordeelde dat het niet noodzakelijk is dat een verzoek tot schorsing na schorsing van de zitting pas na hernieuwde aanvang van de zitting kan worden behandeld, noch dat daarvoor een extra openbare zitting moet worden gehouden. De samenstelling van de raadkamer waarborgt bovendien dat rechters die bij de zaak betrokken zijn, deelnemen aan de beslissing.
Ten aanzien van het verzoek zelf stelde het hof dat het strafvorderlijk belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij schorsing, en wees het verzoek af. De beschikking werd gewezen op 19 september 2007 door drie rechters van het Gerechtshof Leeuwarden.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen door de raadkamer van het Gerechtshof Leeuwarden.