ECLI:NL:GHLEE:2007:BA1330

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 06-00567
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:24 AwbArt. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in bestuursstrafzaak wegens onjuiste bekendmaking

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Het hof constateerde dat de beslissing van de kantonrechter niet naar het door de betrokkene opgegeven juiste adres was gezonden, waardoor de termijn voor hoger beroep niet was aangevangen.

Daarnaast waren mededelingen over de verplichting tot zekerheidstelling eveneens naar het verkeerde adres gestuurd, waardoor de betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld zekerheid te stellen. De advocaat-generaal voerde aan dat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld, maar het hof oordeelde dat het hoger beroep wel tijdig was ingediend.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verwees de zaak terug met het oog op een correcte behandeling, waarbij de kantonrechter rekening moet houden met de financiële draagkracht van de betrokkene en haar de mogelijkheid moet geven om gehoord te worden over de zekerheidstelling.

De zaak wordt niet ter zitting behandeld door het hof, maar terugverwezen voor verdere behandeling en beslissing door de kantonrechter.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de kantonrechter.

Uitspraak

WAHV 06/00567
20 februari 2007
CJIB 29086052919
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem
van 6 april 2006
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
Namens de betrokkene he[gemachtigde] tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingedien[gemachtigde] is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 31 oktober 2006 heeft de griff[gemachtigde] in de gelegenheid gesteld een schriftelijke machtiging over te leggen. De betrokkene heeft bij brief van 2 november 2006 op de brief van de griffier gereageerd. In deze brief heeft de betrokkene meegedeeld dat [gemachtigde] zich uit de procedure heeft teruggetrokken. Tevens heeft de betrokkene in die brief verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld om op de brief van de betrokkene d.d. 2 november 2006 te reageren. Hiervan is bij schrijven van 3 januari 2007 gebruik gemaakt.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld op het schrijven van de
advocaat-generaal d.d. 3 januari 2007 te reageren. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend en dat de betrokkene daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
Het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, Awb brengt mee, dat eerst van bekendmaking van de beslissing op de voorgeschreven wijze sprake is, indien de mededeling naar het juiste adres - waarbij het door de betrokkene opgegeven adres leidend is - is verzonden
3.3. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende:
- De betrokkene heeft in haar beroepschrift aan de kantonrechter als adres opgegeven: [huidige adres]
- De beslissing van de kantonrechter van 6 april 2006 is op 13 april 2006 aan de betrokkene verzonden naar het adres: [oude adres]
- Bij brief van 15 maart 2006 heeft [gemachtigde] namens de betrokkene een brief gezonden aan het CJIB. Het CJIB heeft deze brief doorgezonden naar de rechtbank Haarlem. Op de brief staat de volgende mededeling van de griffier van de rechtbank vermeld: "Gebeld, wil in hoger beroep." en separaat het datumstempel "21 maart 2006". De griffier van de rechtbank heeft vervolgens de brief (kennelijk) aangemerkt als hoger beroepschrift en doorgezonden naar het hof.
- Bij brief van 31 oktober 2006 heeft de griffier van het hof [gemachtigde] bericht dat het hof het er voor houdt dat [gemachtigde] namens de betrokkene hoger beroep heeft ingesteld. De griffier heeft tevens [gemachtigde] verzocht een schriftelijke machtiging over te leggen.
- Bij brief van 2 november 2006 heeft de betrokkene aangegeven dat
[gemachtigde] zich uit de procedure heeft teruggetrokken en dat de correspondentie in deze zaak naar haar adres, te weten [adres] kan worden gezonden.
3.4. Nu de beslissing van de kantonrechter niet naar het door de betrokkene opgegeven adres is gezonden, is die beslissing niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De termijn, als bedoeld in artikel 6:8, eerste lid, Awb, is derhalve niet aangevangen op 13 april 2006.
3.5. Gelet op de door de griffier van de rechtbank geplaatste mededeling op de brief van [gemachtigde] d.d. 15 maart 2006 en de brief van de betrokkene d.d. 2 november 2006, houdt het hof het ervoor dat de betrokkene tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Het hof zal daarom de betrokkene in hoger beroep ontvangen.
3.6. Uit de op de voet van artikel 15, tweede lid, WAHV aan de griffier van het hof toegezonden gedingstukken blijkt dat de betrokkene in haar beroepschrift aan de kantonrechter als adres heeft opgegeven: [adres] en dat de brieven van de officier van justitie betreffende de zekerheidstelling van 31 januari 2006 en 15 februari 2006 zijn verzonden aan het adres: [oude adres] De brieven betreffende de zekerheidstelling zijn dus niet verzonden aan het juiste adres van de betrokkene, zodat ervan moet worden uitgegaan, dat de betrokkene niet behoorlijk in de gelegenheid is gesteld zekerheid te stellen. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank Haarlem.
3.7. Nu het hof de zaak zal terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Haarlem, zal het hof de zaak niet ter zitting behandelen.
3.8. Na terugwijzing van de zaak door het hof dient de kantonrechter, gelet op het feit dat de betrokkene zowel in haar administratief beroepschrift als in hoger beroep heeft aangegeven over onvoldoende financiële middelen te beschikken om zekerheid te kunnen stellen, de betrokkene in de gelegenheid te stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent haar financiële draagkracht, tenzij de kantonrechter hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd omtrent haar financiële draagkracht reeds aanstonds aannemelijk acht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Haarlem ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.