Uitspraak
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellante] ,
[appellante],
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2],
Gerechtshof Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellante werd belemmerd in de uitoefening van haar recht van weg door geïntimeerden, de gezamenlijke erven van een perceel. Appellante vorderde opheffing van deze belemmeringen en het nalaten van toekomstige inbreuken, alsmede vergoeding van door haar geleden schade.
Het hof nam het arrest van 31 oktober 2001 over en constateerde dat appellante onvoldoende had toegelicht en onderbouwd dat er sprake was van belemmeringen of geleden schade. Bovendien had zij verklaard eigenaar te zijn van een hek dat zij zelf had geplaatst, waardoor een vermeende belemmering door dat hek niet aan geïntimeerden kon worden toegerekend.
Door het terugtreden van haar procureur kon appellante geen proceshandelingen meer verrichten, wat haar bewijslevering verder belemmerde. Het hof oordeelde daarom dat de vorderingen onvoldoende waren toegelicht en onderbouwd en wees deze af.
Appellante werd veroordeeld in de kosten van het geding die na het arrest van 31 oktober 2001 waren gemaakt, begroot op €1.394,-- aan salaris voor de procureur. Het arrest werd uitgesproken door een enkelvoudige kamer van het Gerechtshof Leeuwarden op 21 maart 2007.
Uitkomst: De vorderingen van appellante worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.