ECLI:NL:GHLEE:2005:AT9466
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Meijeringh
- Breemhaar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgangsregeling tot 25 mei 2005 en afwijzing na die datum in hoger beroep
In deze zaak stond de omgangsregeling tussen partijen centraal, waarbij de bodemrechter bij beschikking van 25 mei 2005 de uitvoering van de huidige omgangsregeling opschortte in afwachting van een nieuw onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De voorzieningenrechter had eerder op 23 maart 2005 een vonnis gewezen in kort geding, waarbij een voorlopige omgangsregeling was vastgesteld.
Appellante stelde in hoger beroep dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij was gegaan aan afspraken en verzoeken tot wijziging van de omgangsregeling. Het hof oordeelde echter dat er geen bewijs was geleverd voor het bestaan van een overeenkomst die de uitvoering van de omgangsregeling zou opschorten en dat de tijdelijke niet-uitvoering mede te wijten was aan detentie van geïntimeerde.
Het hof onderschreef het belang van het minderjarige kind als uitgangspunt en bevestigde de gemotiveerde afwijzing van de grieven door de voorzieningenrechter. Voor de periode na 25 mei 2005 werd het vonnis vernietigd vanwege de opschorting van de omgangsregeling door de bodemrechter en het lopende onderzoek. De gevorderde voorzieningen voor die periode werden afgewezen.
De kosten van de procedure in hoger beroep werden gecompenseerd vanwege de affectieve relatie tussen partijen en het gezamenlijke belang bij het kind. Het vonnis werd uitgesproken door een enkelvoudige kamer van het Gerechtshof Leeuwarden op 13 juli 2005.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het kort geding vonnis tot 25 mei 2005 en wijst de gevorderde voorzieningen voor de periode daarna af wegens opschorting van de omgangsregeling.