ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4405

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 04-01563
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 11 lid 3 WAHV
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen doorbreking appelverbod bij sanctie aan kentekenhouder ondanks overleden bestuurder

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een administratieve sanctie ongegrond verklaarde. De sanctie bedroeg 40 euro, onder de drempel van 70 euro waarvoor hoger beroep is toegestaan volgens artikel 14 WAHV Pro.

De gemachtigde voerde aan dat fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging waren geschonden, omdat de sanctie aan de kentekenhouder was opgelegd terwijl de feitelijke bestuurder was overleden, en dat de kantonrechter het beroep onterecht ongegrond verklaarde.

Het hof overwoog dat de kantonrechter het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie gegrond had verklaard en vervolgens inhoudelijk had behandeld. Dit betekent dat de betrokkene een eerlijke behandeling had gekregen. De enkele onenigheid met de beslissing over de oplegging van de sanctie aan de kentekenhouder rechtvaardigt geen doorbreking van het appelverbod.

Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en verwierp het beroep zonder kostenveroordeling. Het arrest werd gewezen door mr. Weenink en uitgesproken in openbare zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens appelverbod bij sanctie onder 70 euro.

Uitspraak

WAHV 04/01563
3 maart 2005
CJIB 99060711439
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam
van 5 november 2004
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [adres]
voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om een vergoeding van kosten.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV Pro kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan euro 70,-, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt euro 40,-. Op grond van het bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
3.2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er redenen zijn om de betrokkene, in weerwil van art. 14 WAHV Pro, ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. Zijns inziens zijn fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging geschonden doordat de kantonrechter in zijn beslissing het beroep van de betrokkene ongegrond heeft verklaard, terwijl uit de overwegingen blijkt dat het beroep tegen de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie gegrond is verklaard. Voorts zijn fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging geschonden doordat de sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder, terwijl de bestuurder van het voertuig overleden is. Onder die omstandigheden had de sanctie door de officier van justitie moeten worden ingetrokken.
3.3. Het hof heeft in bestendige rechtspraak beslist dat wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV gewettigd is.
3.4. Met betrekking tot de eerste door de gemachtigde aangevoerde beroepsgrond overweegt het hof als volgt. De officier van justitie heeft het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn was ingediend. De kantonrechter heeft de zaak ter zitting van 22 oktober 2004 behandeld in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de kentekenhouder en haar gemachtigde. Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting heeft de kantonrechter geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking binnen de gestelde termijn is ingesteld en dat de betrokkene door de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Aangezien ook overigens aan de formele vereisten was voldaan is de kantonrechter vervolgens overgegaan tot inhoudelijke behandeling van het beroep tegen de inleidende beschikking. Hij heeft het namens de betrokkene gevoerde verweer tegen de oplegging van de sanctie ongegrond verklaard. Slechts dit laatstgenoemde oordeel is in het dictum van de beslissing van de kantonrechter opgenomen.
3.5. Gelet op het overwogene onder 3.4 kan niet gezegd worden, dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Wat er zij van het dictum van zijn beslissing, uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de kantonrechter na gegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van de zaak. De betrokkene heeft hierdoor gekregen waar zij recht op had, namelijk een beoordeling ten gronde van haar beroep. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is op deze door de gemachtigde aangevoerde grond derhalve geen plaats.
3.6. De gemachtigde heeft voorts aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat het oordeel van de kantonrechter geen stand kan houden nu de bestuurder van het voertuig waarmee de gedraging zou zijn verricht zou zijn overleden. Het enkele feit dat de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter betekent nog niet dat daardoor zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging zijn geschonden dat op grond daarvan doorbreking van de appelgrens van art. 14 WAHV Pro aangewezen is.
3.7. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof het beroep verwerpen.
3.8. Nu het beroep wordt verworpen ziet het hof geen aanleiding tot vergoeding van kosten.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verwerpt het beroep;
Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.