ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3447
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Meer
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt juiste toepassing artikel 29 lid 2 Wet omzetbelasting bij teruggaaf na faillissement
De zaak betreft een geschil over de teruggaaf van omzetbelasting door de inspecteur aan belanghebbende over de periode van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002. De inspecteur verleende een teruggaaf van €453,--, waarbij rekening werd gehouden met het feit dat het salaris van de curator niet volledig door de boedel kon worden voldaan, conform artikel 29, tweede lid, van de Wet op omzetbelasting 1968.
Belanghebbende stelde dat het volledige salaris van de curator inclusief de omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht moest worden, omdat de vaststelling van het salaris voorafgaat aan de vereffening en de eventuele verschuldigdheid van omzetbelasting pas daarna ontstaat. De inspecteur betoogde dat op het moment van vaststelling van het salaris door de rechtbank al vaststond dat niet het volledige bedrag betaald zou worden, waardoor omzetbelasting over het niet-betaalde deel verschuldigd is.
Het gerechtshof oordeelde dat de inspecteur het juiste tijdvak heeft vastgesteld en dat de toepassing van artikel 29, tweede lid, correct was. Het hof verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat er geen sprake was van een begunstigend beleid en de brief waarop dat beroep werd gedaan niet aan belanghebbende was gericht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de systematiek van de Wet omzetbelasting en de juiste toepassing van artikel 29 lid 2 bij Pro faillissementssituaties.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de inspecteur terecht rekening hield met artikel 29 lid 2 Wet omzetbelasting bij de teruggaaf over het faillissementstijdvak.