ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9733

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 04/00120
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a WAHVArt. 13a WAHV
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening faxberoepschrift in bestuurszaak

Betrokkene was in verzet gegaan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd door de officier van justitie. De kantonrechter verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk in dat verzet. Betrokkene stelde hoger beroep in, maar dit bleek te laat te zijn ingediend.

Betrokkene voerde aan dat hij binnen de termijn van twee weken na verzending van de beschikking per fax een beroepschrift had ingediend. Hij overhandigde een kopie van het beroepschrift en een verzendrapport van het faxapparaat ter onderbouwing. Het hof oordeelde echter dat het verzendrapport onvoldoende bewijs bood dat het beroepschrift daadwerkelijk was ontvangen, mede omdat geen ontvangstbevestiging was overgelegd en het faxnummer onbekend was.

Het hof stelde vast dat het hoger beroep niet tijdig was ingediend en verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk. Omdat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel was stopgezet en hervatting daarvan strijdig zou zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur, werd bepaald dat het betaalde bedrag van €125,14 door de advocaat-generaal aan betrokkene wordt gerestitueerd. Kostenvergoeding werd niet toegekend omdat geen kosten waren gemaakt die daarvoor in aanmerking kwamen.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late indiening, met restitutie van het betaalde dwangbevelbedrag.

Uitspraak

WAHV 04/00120
21 april 2004
CJIB 29895935
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter van de rechtbank te Haarlem
van 15 november 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 24 mei 2000 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 26 februari 2004 heeft de advocaat-generaal het hof bericht, dat hij heeft besloten dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel dient te worden stopgezet en dat de betrokkene hiervan in kennis is gesteld.
Bij brief van 26 februari 2004 heeft het hof de betrokkene verzocht mede te delen of hij aanspraak wenst te maken op vergoeding van kosten. De betrokkene heeft hierop niet gereageerd.
3. Beoordeling
3.1. Blijkens de stukken van het geding is de mededeling van de beschikking van de kantonrechter op 29 januari 2002 verzonden. Het beroepschrift is blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie van de rechtbank ingekomen op 10 oktober 2003. Het hoger beroep is derhalve niet ingesteld binnen de in art. 26a, eerste lid, WAHV voorgeschreven termijn van twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van de kantonrechter.
3.2. De betrokkene voert echter aan dat hij binnen de gestelde termijn per fax een hoger beroepschrift d.d. 6 februari 2002 heeft ingediend. De betrokkene heeft bij zijn schrijven van 10 oktober 2003 een kopie van voornoemd stuk gevoegd en een verzendrapport van "Telecom Expert" waaruit zou moeten blijken dat hij op 6 februari 2002 het hoger beroepschrift heeft verzonden.
3.3. De stukken van het geding houden niets in, waaruit zou kunnen blijken, dat op of omstreeks 6 februari 2002 een schrijven van de betrokkene is ontvangen. In beginsel is het indienen van een beroepschrift door middel van een faxbericht aan te merken als een toelaatbare wijze van verzending. De aan deze wijze van indiening verbonden risico's dienen voor rekening van de verzender te komen. Dat brengt mee, dat wanneer de ontvangst van het betreffende stuk niet kan worden bevestigd, het op de weg van de afzender ligt om aan te tonen dat de verzending heeft plaatsgevonden. Hetgeen de betrokkene aanvoert ter onderbouwing van zijn stelling acht het hof daartoe onvoldoende. Immers blijkt uit het verzendrapport van het gebruikte faxapparaat - waarvan de betrokkene niet betwist dat het bedrijfsmatig wordt gebruikt - slechts dat 2 pagina's zijn verzonden. Niet blijkt naar welk faxnummer het faxbericht is gezonden. Bovendien bevat het dossier - anders dan ten aanzien van het door de betrokkene bij de rechtbank ingediende verzetschrift het geval is - niet zoals gebruikelijk een afschrift van een schriftelijke bevestiging van ontvangst van bedoelde brief d.d. 6 februari 2002. De betrokkene maakt in zijn faxbericht van 10 oktober 2003 evenmin gewag van een dergelijke schriftelijke bevestiging, noch van enige andere correspondentie aangaande zijn hoger beroep tussen 6 februari 2002 en 10 oktober 2003 met uitzondering van twee brieven van de deurwaarder van 28 maart 2002 en 22 april 2002, waarbij de betrokkene in de gelegenheid gesteld wordt het in een andere zaak verschuldigde bedrag alsnog te voldoen. Daar komt bij, dat hij door pas op 10 oktober 2003 te reageren naar aanleiding van het door hem op 6 februari 2002 verzonden faxbericht een nader onderzoek naar de eventuele ontvangst van dat bericht onmogelijk heeft gemaakt. Naar de overtuiging van het hof is derhalve niet aannemelijk geworden dat de betrokkene het hoger beroep tijdig heeft ingediend. De betrokkene dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.
3.4. Aangezien echter de tenuitvoerlegging van het dwangbevel is stopgezet en hervatting daarvan in strijd zou komen met de beginselen van behoorlijk bestuur, zal het hof bepalen dat hetgeen uit hoofde van voormeld dwangbevel door de betrokkene is betaald door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd. Gesteld noch gebleken is, dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die op grond van art. 13a WAHV voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
bepaalt dat hetgeen uit hoofde van voormeld dwangbevel door de betrokkene is betaald, te weten een bedrag van 125,14 Euro, door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.