ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8120
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Zuidema
- Kuiper
- Breemhaar
- Mollema
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kennelijk onredelijke opzegging arbeidsovereenkomst en schadevergoeding
In deze zaak stond de vraag centraal of de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kennelijk onredelijk was en welke schadevergoeding daarvoor toekwam. De arbeidsovereenkomst was per 1 september 1998 aangegaan voor een jaar, maar werd vervolgens onbedoeld voor onbepaalde tijd voortgezet. De werknemer verrichtte vanaf augustus 2000 geen arbeid meer, maar bleef salaris ontvangen. De arbeidsovereenkomst eindigde op 1 maart 2001 met toestemming van de Regionaal Directeur.
De kantonrechter wees de vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst af, maar kende een schadevergoeding toe wegens kennelijk onredelijke opzegging. De werkgever stelde hoger beroep in tegen deze beslissing, onder meer met het verweer dat de vordering was verjaard en dat de opzegging niet onredelijk was.
Het hof oordeelde dat de vordering niet verjaard was, omdat de werknemer tijdig een schriftelijke aanmaning had gestuurd die de verjaring had gestuit. Het hof verwierp het beroep op verjaring en het verweer dat de opzegging niet kennelijk onredelijk was. Het hof stelde de schadevergoeding vast op €18.000 bruto, lager dan het door de kantonrechter toegekende bedrag van €24.000, en veroordeelde de werkgever tot betaling daarvan met wettelijke rente vanaf 1 maart 2001. De kosten van het geding in eerste aanleg werden gecompenseerd, terwijl de werkgever in de kosten van het hoger beroep werd veroordeeld.
Uitkomst: Het hof stelt de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging vast op €18.000 met wettelijke rente vanaf 1 maart 2001 en compenseert de proceskosten in eerste aanleg.