ECLI:NL:GHLEE:2004:AO2087

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
16 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 1310/02 WOZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Pruiksma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet waardering onroerende zakenArt. 18 Wet waardering onroerende zakenArt. 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zakenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak in economische verkeer

Het geschil betreft de vaststelling van de waarde van een woning gelegen aan a-straat 26 te Z per de waardepeildatum 1 januari 1999, zoals bepaald door de heffingsambtenaar van de gemeente Achtkarspelen. De belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanvankelijke vaststelling van €179.243, waarna de waarde werd herzien naar €140.671. Tegen deze herziening werd beroep ingesteld bij het gerechtshof.

Tijdens de zitting op 27 oktober 2003 werden de standpunten van partijen besproken, waarbij de belanghebbende een lagere waarde van €119.000 bepleitte. De ambtenaar onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatierapport van A BV, waarin de waarde werd bepaald door vergelijking met referentieobjecten en vastgesteld op €143.394.

Het hof overwoog dat de vastgestelde waarde volgens de Wet waardering onroerende zaken en de Uitvoeringsregeling op juiste wijze was bepaald, waarbij referentieobjecten als vergelijkingsmethode passend zijn. De verschillen tussen het object en referentieobjecten werden voldoende in aanmerking genomen. Tevens oordeelde het hof dat een vergelijking met een eerdere WOZ-waarde niet relevant is voor de waardebepaling.

Gelet op de onderbouwing en het ontbreken van overtuigende tegenargumenten van de belanghebbende, concludeerde het hof dat de vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het hof achtte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €140.671 bevestigd.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 1310/02 16 januari 2004
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van
X te Z (: de belanghebbende)
tegen de uitspraak van
de heffingsambtenaar van de gemeente Achtkarspelen (: de ambtenaar)
gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem uitgereikte waardebeschikking van nagenoemde onroerende zaak.
1. De procesgang
1.1 In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-straat 26 te Z (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 31 maart 2001 per waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op € 179.243,--.
1.2. De belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 7 mei 2001 bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vastgestelde waarde.
1.3. Bij uitspraak van 8 april 2002 heeft de ambtenaar het bezwaarschrift gegrond verklaard en de waarde nader vastgesteld op € 140.671,--.
1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij een op 24 mei 2002 ontvangen beroepschrift beroep ingesteld.
1.5. Het hof heeft op 1 oktober 2002 het verweerschrift van de ambtenaar ontvangen.
1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting
van 27 okotober 2003 te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de belanghebbende en de gemachtigden van de ambtenaar.
1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Het geschil en de standpunten van partijen.
2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.
2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij bepleit een waarde van € 119.000,--. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van de beroepen uitspraak.
2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
Partijen hebben daaraan ter zittingen geen nadere gronden aangevoerd.
3. De overwegingen omtrent het geschil.
3.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt de waarde bepaald op de waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1999) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.
3.3. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde, bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.
3.4. De ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, verwijst voor de onderbouwing van de waarde naar een taxatierapport d.d. 12 september 2002 van A BV.
3.5. Uit dit rapport blijkt dat de waarde door middel van vergelijking met referentieobjecten. is bepaald op € 143.394,--.
3.6.. Belanghebbendes beroep op het motiveringsbeginsel heeft geen consequenties. Ook indien de uitspraak onvoldoende gemotiveerd mocht zijn, dan nog leidt dit op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot vernietiging van de uitspraak. Het hof kan een eventuele gebrekkige motivering aanvullen/verbeteren in de uitspraak op het beroep, waarbij dient te worden opgemerkt dat het hof niet is gebleken dat belanghebbende hierdoor in haar processuele belangen is geschaad.
3.7. Voorzover de belanghebbende bepleit dat de vastgestelde waarde niet kan worden afgeleid van de in het taxatierapport genoemde transactiewaarden van referentieobjecten, overweegt het hof dat de transactiewaarden zijn bedoeld om als bevestiging van de vastgestelde waarde te dienen. Daarbij is niet vereist dat een referentieobject identiek is aan de onroerende zaak waarvan de waarde dient te worden vastgesteld. Het hof is dan ook van oordeel dat de genoemde vergelijkingsobjecten de door de ambtenaar vastgestelde waarde in voldoende mate onderbouwen en dat de verschillen tussen de onroerende zaak enerzijds en de referentieobjecten anderzijds in voldoende mate tot uitdrukking worden gebracht.
3.8. Voorzover de belanghebbende bepleit dat de vastgestelde waarde in vergelijking met de vorige woz-waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld, overweegt het hof dat de waarde dient te worden vastgesteld op een wijze als bedoeld in de Uitvoeringsregeling. Nu daaronder niet is begrepen een vergelijking met een vorige woz-waarde is hetgeen belanghebbende bepleit tevergeefs.
3.9. Op grond van de inhoud van het verweerschrift van de ambtenaar en het daarbij overgelegde taxatierapport is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per waardepeildatum 1 januari 1999. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de grieven van belanghebbende niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.10. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.
4. De proceskosten.
Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. De beslissing.
Het hof:
verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan door mr Pruiksma, vice-president, voorzitter, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 16 januari 2004.
Op 21 januari 2004 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.