ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8910

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-01376
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 6:24 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke sanctie wegens niet stoppen voor rood licht bij verkeerslicht

Betrokkene werd door de officier van justitie een bestuurlijke sanctie opgelegd wegens het niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht op 29 januari 2001 te Lelystad. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Betrokkene stelde in hoger beroep dat hij weliswaar de stopstreep had overschreden, maar tussen de stopstreep en het verkeerslicht was gestopt, en voerde aan dat de geelfase van het verkeerslicht te kort was om tijdig te kunnen stoppen.

Het hof oordeelde dat het beroepschrift tijdig was ingediend, ondanks een eerdere onjuiste adressering. Juridisch werd vastgesteld dat volgens art. 68 en Pro art. 79 RVV Pro 1990 het niet stoppen vóór de stopstreep bij rood licht als overtreding geldt, ongeacht of het voertuig daarna stopt. De geelfase van vier seconden voldeed aan de CROW-aanbevelingen en was voldoende om tijdig te kunnen stoppen bij de toegestane snelheid van 70 km/u.

Gezien de vastgestelde feiten en de wettelijke bepalingen bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter. De opgelegde sanctie van fl 180,-- (Euro 81,68) blijft van kracht. Dit arrest werd gewezen door mr. Dijkstra en uitgesproken in openbare zitting op 2 april 2003.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bestuurlijke sanctie wegens niet stoppen voor rood licht wordt bevestigd.

Uitspraak

WAHV 02/01376
2 april 2003
CJIB 40339505
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Zwolle
van 8 oktober 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [plaatsnaam]
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de artt. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt het te dezen toepasselijke art. 6:9 Awb Pro dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
3.2. De beslissing van de kantonrechter is op 9 oktober 2002 toegezonden aan de gemachtigde van de betrokkene, maar naar een onjuist adres. Bij beslissing van 21 oktober 2002 heeft de kantonrechter zijn eerdere beslissing gerectificeerd ten aanzien van het in die beslissing opgenomen adres van de gemachtigde van de betrokkene. Deze beslissing is op 21 oktober 2002 aan de gemachtigde toegezonden. Een en ander houdt in, dat eerst op laatstgenoemde datum de beslissing op de in art. 3:41 Awb Pro voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, zodat de in art. 6:8, eerste lid, Awb bedoelde termijn is aangevangen op 22 oktober 2002.
3.3. Het ongedateerde beroepschrift, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 9 december 2002 ter griffie van de rechtbank ontvangen, dat wil zeggen: niet later dan een week na afloop van de beroepstermijn. Het op de envelop waarin het beroepschrift is verzonden geplaatste poststempel is onleesbaar. Het hof zal het ervoor houden dat het beroepschrift voor het einde van de termijn is ter post is bezorgd zodat de gemachtigde van de betrokkene in het hoger beroep kan worden ontvangen.
3.4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,-- (Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", (feitcode R602), welke gedraging zou zijn verricht op 29 januari 2001 op de Larserweg/Meerkoetenweg te Lelystad.
3.5. De gemachtigde van de betrokkene, de bestuurder van het motorvoertuig, ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij stelt dat hij weliswaar de stopstreep heeft overschreden, maar is gestopt tussen de stopstreep en het verkeerslicht, zodat hij niet de kruising is opgereden.
3.6. De bij voormelde feitcode behorende gedraging is een overtreding van het voorschrift van art. 62 in Pro verbinding met art. 68, eerste lid, aanhef en sub c, RVV 1990.
Art. 62 RVV Pro 1990 luidt:
Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.
Art. 68, eerste lid, aanhef en sub c, RVV 1990 houdt in:
Bij driekleurige verkeerslichten betekent rood licht: stop.
Art. 79 RVV Pro 1990 luidt: Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.
3.7. Uit art. 68, eerste lid, aanhef en onder c, RVV 1990 in verbinding met art. 79 RVV Pro 1990 volgt dat de gedraging "als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht" moet worden geacht te zijn verricht indien het desbetreffende voertuig voor rood licht niet is gestopt vóór de stopstreep (vgl. HR 7 juni 1994, DD 94.381).
3.8. De gemachtigde van de betrokkene is voorts van oordeel, dat de geellichtfase bij het betreffende verkeerslicht, die naar zijn waarneming 4 seconden bedraagt, te kort is, waardoor het voor hem als vrachtwagenchauffeur niet mogelijk was tijdig voor de stopstreep tot stilstand te komen.
3.9. De door de gemachtigde van de betrokkene vermelde geelfase van het betreffende verkeerslicht is in overeenstemming met de aanbeveling van de Stichting voor Regelgeving en Onderzoek in de grond- water- en Wegenbouw en de verkeerstechniek (CROW) dat de geel-fase bij verkeerslichten op een weg(gedeelte) waar een snelheid van 70 km per uur geldt, 4 seconden bedraagt.
3.10. Bij de maximaal toegestane snelheid van 70 km per uur legt de bestuurder van een motorvoertuig gedurende vier seconden een afstand af van bijna 78 meter en dus, indien hij op het moment dat het verkeerslicht op rood springt de stopstreep zou passeren, straalt het verkeerslicht reeds geel licht in zijn richting uit, wanneer zijn voertuig zich op die afstand van de stopstreept bevindt. Van de bestuurder van een motorvoertuig met een werkende bedrijfsrem, mag, - gelet op de in het Voertuigreglement minimaal vereiste remvertraging -, worden verwacht, ook met inachtneming van een seconde reactietijd, dat hij in die situatie zijn voertuig tijdig tot stilstand brengt voor de stopstreep. Dat geldt temeer, wanneer zoals in casu door de verbalisant is vastgesteld, het verkeerslicht reeds twee seconden rood licht uitstraalde op het moment, dat de bestuurder de stopstreep passeerde.
3.11. De beslissing van de kantonrechter dient derhalve te worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.