ECLI:NL:GHLEE:2003:AF3980

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
31 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 606/02 Verontreinigingsheffing
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Drion
  • Huiskes
  • Fransen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening WaterkwaliteitArt. 6 lid 2 Verordening WaterkwaliteitArt. 16 lid 1 Verordening WaterkwaliteitArt. 21 lid 1 Wet verontreiniging oppervlaktewaterenArt. 16 lid 2 Verordening Waterkwaliteit
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid en hoogte verontreinigingsheffing recreatiewoning 2002

Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een recreatiewoning in het werkgebied van het waterschap Reest en Wieden, werd voor 2002 aangeslagen op grond van de Verordening Waterkwaliteit voor drie vervuilingseenheden. Belanghebbende voerde aan dat op basis van een eerdere overeenkomst een gehalveerd tarief zou moeten gelden vanwege beperkt gebruik en een droog rioolstelsel met onvoldoende capaciteit.

De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag, stellende dat de recreatiewoning sinds 2001 niet meer beperkt in gebruik is en het volledige tarief terecht is vastgesteld. Het hof oordeelt dat de recreatiewoning als woonruimte moet worden aangemerkt en dat de forfaitaire heffing van drie vervuilingseenheden conform de Verordening juist is toegepast. Een aanvraag tot vermindering was niet ingediend.

Het beperkte waterverbruik en de eerdere overeenkomst uit 1982 zijn onvoldoende om de aanslag te verlagen. Het hof wijst erop dat de rechter de billijkheid van de wet niet mag toetsen en dat het waterschap belanghebbende tijdig heeft geïnformeerd over het vervallen van de tijdsevenredigheidsfactor. Het beroep wordt ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag verontreinigingsheffing 2002 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: Nr. 606/02 31 januari 2003
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de plaatsvervangend heffingsambtenaar van het waterschap Reest en Wieden te Meppel (hierna: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing voor het jaar 2002.
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende werd voor het jaar 2002 in de verontreinigingsheffing op grond van de Heffingsverordening Waterkwaliteit waterschap Reest en Wieden 2001 (nader: het waterschap), gelijk gewijzigd voor het jaar 2002 (nader: de Verordening), aangeslagen naar drie vervuilingseenheden tot een bedrag van € 180,72.
Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 30 januari 2002 de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 12 maart 2002 is ingekomen.
Nadat de heffingsambtenaar zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 18 november 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en de heffingsambtenaar.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een recreatiewoning aan de a-weg 60 te L (nader: de recreatiewoning), gelegen in het werkgebied van het waterschap. Vanuit deze recreatiewoning worden stoffen afgevoerd via een door de gemeente aangelegd rioleringstelsel dat is aangesloten op een persleiding naar een zuiveringtechnisch werk dat door het waterschap wordt geëxploiteerd.
Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag is de heffing gebaseerd op een vervuilingswaarde van drie vervuilingseenheden.
Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.
3. Het geschil.
Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de verontreinigingsheffing met betrekking tot de recreatiewoning rechtmatig en tot het juiste bedrag is geheven.
4. Het standpunt van belanghebbende.
Namens belanghebbende is - voor zover te dezen van belang, kort samengevat - gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:
Op grond van een in 1982 ingesteld beroep is tussen belanghebbende en het toenmalige Zuiveringsschap Drenthe een overeenkomst gesloten om met betrekking tot de recreatiewoning slechts een gehalveerd tarief te heffen. Sindsdien is niets aan de situatie veranderd.
Het aangelegde rioolstelsel, een zogenaamd droog rioolstelsel, heeft onvoldoende capaciteit, ondanks het beperkte gebruik van het onderhavige en de andere recreatiewoningen. Desondanks heft het waterschap het volledige tarief alsof er een meerpersoons huishouden daar het hele jaar zou wonen.
Het waterverbruik is slechts circa 13 kubieke meter per jaar.
5. Het standpunt van de inspecteur.
De heffingsambtenaar heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:
De aanslag is overeenkomstig de Verordening en tot het juiste bedrag opgelegd.
Sinds 2001 is de recreatiewoning niet meer in het gebruik beperkt en dus het gehele jaar door te gebruiken. Er is geen reden meer om het tarief voor recreatiewoningen te halveren.
Nu de recreatiewoning zich niet bevindt op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd is de aanslag terecht op forfaitaire wijze vastgesteld.
6. De overwegingen omtrent het geschil.
6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van Pro de (op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren berustende) Verordening wordt onder de naam "verontreinigingsheffing" een directe belasting geheven terzake van het afvoeren van stoffen, welke belasting wordt geheven van onder meer de gebruiker van een woonruimte.
De heffingsmaatstaf is ingevolge het bepaalde in artikel 6, lid 2, van de Verordening de vervuilingswaarde, uitgedrukt in vervuilingseenheden.
Ingevolge het bepaalde in artikel 16, lid 1, van de Verordening, is de vervuilingswaarde van een woonruimte, overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, lid 1, van de Wet, forfaitair vastgesteld op drie vervuilingseenheden per woonruimte, met dien verstande dat de vervuilingswaarde op aanvraag van de gebruiker wordt gesteld op één vervuilingseenheid indien de woonruimte door één persoon wordt gebruikt.
6.2 Niet in geschil is dat de recreatiewoning moet worden aangemerkt als een woonruimte in de zin van de Verordening. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende een aanvraag zou hebben ingediend als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Verordening.
Vast staat bovendien dat de recreatiewoning zich niet bevindt op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd, op grond waarvan in dat geval de recreatiewoning als een bedrijfsruimte zou moeten worden aangemerkt op grond van het in artikel 16, lid 2, van de Verordening bepaalde.
6.3 Op grond van het vorenstaande is de aanslag terecht naar een vervuilingswaarde van drie vervuilingseenheden opgelegd.
6.4 Hieraan doet niet af dat het waterverbruik in de recreatiewoning beperkt blijft tot circa 13 kubieke meter per jaar, noch dat belanghebbende met betrekking tot zijn permanente woning eveneens wordt aangeslagen naar drie vervuilingseenheden.
6.5 Nu de in de Verordening gebruikte tekst is gebaseerd op de tekst van de Wet staat aan het hof niet de vraag ter beoordeling of de Verordening een redelijker systeem dan het onderhavige zou moeten behelzen, daar het de rechter niet is toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen. Nu de recreatiewoning niet meer in gebruik beperkt is, heeft de heffingsambtenaar de aanslag terecht niet meer naar tijdsevenredigheid vastgesteld. Daarbij is van belang dat het waterschap belanghebbende bij brieven van 16 oktober en 22 november 2001 in kennis heeft gesteld van het voornemen om met ingang van het belastingjaar 2002 geen rekening meer te houden met de tijdsevenredigheidsfactor.
6.6 Mitsdien is de heffing niet onrechtmatig of tot een onjuist bedrag opgelegd en is het beroep derhalve ongegrond.
6.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7. De beslissing.
Het hof verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan op 31 januari 2003 door mr. Drion, raadsheer als voorzitter, mr. Huiskes en mr. Fransen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mevrouw mr. Hiemstra als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Op 5 februari 2003 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.