ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6386

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
19 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00278
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing niet-ontvankelijkheid beroep wegens administratieve onvolkomenheid in zekerheidstelling WAHV

De betrokkene was tegen een beslissing van de officier van justitie in beroep gegaan, maar de kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene niet binnen de wettelijke termijn zekerheid had gesteld voor betaling van de administratieve sanctie.

De betrokkene stelde dat hij het bedrag wel had overgemaakt en overlegde een bankafschrift ter bewijs. Het hof acht aannemelijk dat de betaling heeft plaatsgevonden, mede bevestigd door het CJIB. Echter werd het bedrag door het CJIB teruggestort omdat het beschikkingsnummer ontbrak, een administratieve onvolkomenheid.

Het hof oordeelt dat de kantonrechter de betrokkene een nieuwe termijn had moeten geven om alsnog zekerheid te stellen. Daarnaast waren de brieven van de officier van justitie niet als correcte mededeling in de zin van de wet aan te merken, omdat zij onduidelijkheid schepten over de noodzaak tot zekerheidstelling.

Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank Utrecht om de betrokkene opnieuw in de gelegenheid te stellen zekerheid te stellen en het beroep inhoudelijk te behandelen.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling met mogelijkheid tot nieuwe zekerheidstelling.

Uitspraak

WAHV 02/00278
19 juni 2002
CJIB 35598930
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 28 februari 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.
3.2. De betrokkene stelt, dat hij in november 2001 het door hem te betalen bedrag aan zekerheid heeft overgemaakt op de rekening van het CJIB. Ter staving van zijn stelling heeft hij een bankafschrift overgelegd, waaruit blijkt dat op 20 november 2001 een bedrag van f 168,75, het bedrag van de sanctie ad f 90,-, vermeerderd met eerste en tweede verhoging, is overgemaakt op de rekening van het CJIB. Gelet op het door de betrokkene te betalen bedrag na de tweede verhoging, te weten f 168,75, acht het hof het aannemelijk dat de betrokkene het bedrag heeft overgemaakt bij wege van zekerheid voor de onderhavige sanctie.
3.3. Hetgeen de betrokkene stelt, wordt bevestigd door informatie van het CJIB. Daarom moet ervan worden uitgegaan, dat de betrokkene zekerheid heeft gesteld.
3.4. Volgens het CJIB is op 11 januari 2002 door het CJIB een bedrag van f 168,75 op de rekening van de betrokkene teruggestort, omdat de betrokkene bij de betaling het beschikkingsnummer niet heeft vermeld. Nu de gestelde zekerheid kennelijk wegens een administratieve onvolkomenheid aan de betrokkene is teruggestort, had de kantonrechter, alvorens de betrokkene wegens het niet stellen van zekerheid niet-ontvankelijk te verklaren, een nieuwe termijn dienen te bepalen waarbinnen de betrokkene opnieuw zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV Pro had kunnen stellen. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank, opdat de kantonrechter de betrokkene opnieuw in de gelegenheid stelt het bedrag aan zekerheid ad f 90,- te betalen.
3.5. Voorts verdient het volgende nog opmerking. Bij de stukken van het geding bevinden zich de mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 12 november 2001 en een brief van 11 december 2001 van de officier van justitie aan de betrokkene. Geen van beide brieven kan worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, gelet op het navolgende. In beide brieven schrijft de officier van justitie het beroep pas aan de kantonrechter te zullen voorleggen als hij na de bestudering van de zaak niet tot vernietiging van de inleidende beschikking zou besluiten. De brieven voldoen daardoor niet aan het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV, en wel omdat de brieven door hetgeen de officier van justitie schrijft onzekerheid oproepen met betrekking tot de noodzaak tot het stellen van zekerheid.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank te Utrecht ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr. Vellinga, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.