ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4693
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Zuidema
- Meijeringh
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis inzake eigendom bankbiljetten en beslag door gemeente Groningen
In deze civiele zaak stond centraal de eigendom van bankbiljetten die in opdracht van de gemeente Groningen in beslag waren genomen. De erfgenamen van de overledene, vertegenwoordigd door een vertegenwoordigster, voerden aan dat zij eigenaar waren van de bankbiljetten, terwijl de gemeente dit betwistte.
Het hof gaf appellanten een bewijsopdracht en zij deden drie getuigen horen, waaronder de vertegenwoordigster zelf en haar zuster. De getuigenverklaringen vertoonden echter ongerijmdheden en waren onvoldoende geloofwaardig. De verklaring van de derde getuige had geen zelfstandige bewijskracht omdat deze zijn kennis ontleende aan zijn moeder.
Op grond van artikel 213 lid 1 oud Pro Rv kon de verklaring van partijgetuigen zonder aanvullend sterk bewijs niet in hun voordeel worden aangenomen. Het hof oordeelde dat appellanten niet waren geslaagd in hun bewijslevering en verklaarde hen niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank. Het eindvonnis van de rechtbank Groningen werd bekrachtigd en appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en het vonnis van de rechtbank Groningen wordt bekrachtigd.