ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1655

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
12 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 785/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Huiskes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet waardering onroerende zakenArt. 26 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:7 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:9 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in beroep wegens overschrijding termijn bezwaar tegen belastingbeschikking

Belanghebbende heeft tijdig verzet ingesteld tegen de beschikking van de voorzitter van de belastingkamer waarin zijn beroep tegen een uitspraak van het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Sneek niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen een beschikking van 31 maart 2001, met uitspraak van het hoofd op 27 augustus 2001.

De beroepstermijn liep tot 8 oktober 2001, maar het beroepschrift werd pas op 17 oktober 2001 ontvangen, waardoor het niet tijdig was ingediend. Belanghebbende stelde dat hij op 9 september 2001 een verzoek tot overleg had gedaan en dat hij op 12 oktober 2001 telefonisch was geïnformeerd dat de behandeling van zijn brief nog op zich zou laten wachten.

Het hof oordeelt dat deze omstandigheden niet leiden tot verlenging van de beroepstermijn en dat belanghebbende bewust heeft gekozen om geen pro forma beroepschrift in te dienen. Ook is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 Awb Pro, noch rustte op het hoofd een verplichting op grond van artikel 6:15 Awb Pro. Daarom is het verzet ongegrond verklaard en blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 785/01 12 april 2002
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer op het verzet gedaan door X, wonende te Z tegen de beschikking van de voorzitter van de belastingkamer van 26 oktober 2001.
De voorzitter heeft bij voormelde beschikking uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Sneek (: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking d.d. 31 maart 2001 als bedoeld in artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet).
Ingevolge de artikel 26, eerste lid en 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) kan hij die bezwaar heeft tegen een uitspraak van het hoofd binnen zes weken na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen bij de rechter. De uitspraak van het hoofd is gedagtekend 27 augustus 2001 en het beroepschrift is volgens de stempelafdruk op de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden, ter post bezorgd op 17 oktober 2001, derhalve niet binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak. De voorzitter heeft om die reden bij voormelde beschikking het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beschikking is belanghebbende tijdig in verzet gekomen bij een verzetschrift (met bijlage) dat door hem is ingediend op 7 november 2001.
Nadat het hoofd een verweerschrift heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling van het verzet plaatsgevonden ter zitting van 19 maart 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de partner van belanghebbende, en namens het hoofd de heer A, medewerker van de afdeling belastingen.
Van alle gemelde en hierna nog te melden stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
Vaststaat dat de termijn voor het instellen van beroep tegen de uitspraak van het hoofd d.d. 27 augustus 2001 liep tot en met 8 oktober 2001.
Belanghebbende voert in het verzetschrift aan dat hij bij een schrijven d.d. 9 september 2001 het hoofd heeft verzocht middels overleg alsnog tot overeenstemming te komen. Het hoofd heeft de ontvangst van voormeld schrijven bij brief d.d. 8 oktober 2001 bevestigd. Vervolgens heeft een medewerker van de gemeente Sneek aan belanghebbende in een telefoongesprek d.d. 12 oktober 2001 meegedeeld dat de behandeling van de brief van belanghebbende nog enige tijd op zich zou laten wachten. Na dit telefoongesprek heeft belanghebbende op 18 oktober 2001 het beroepschrift bij het gerechtshof ingediend.
Blijkens de tekst van de uitspraak op het bezwaar stond daarin aangegeven binnen welke termijn en op welke wijze beroep tegen die uitspraak kon worden ingesteld. De omstandigheid dat belanghebbende vervolgens (opnieuw) op schriftelijke wijze in overleg treedt met het hoofd, is een keuze van belanghebbende waarvan de gevolgen naar het oordeel van het hof voor zijn rekening dienen te blijven. Voor zover belanghebbende zich thans op het standpunt stelt dat hij in het telefoongesprek van 12 oktober 2001 onjuist is geïnformeerd
omtrent de termijn voor het indienen van een beroepsschrift overweegt het hof dat deze stelling, gelet op het hiervoor overwogene, belanghebbende niet kan baten. Bovendien was de beroepstermijn op de datum van het gesprek, 12 oktober 2001, toch al verstreken. Ten overvloede overweegt het hof dat voormelde keuze van belanghebbende de mogelijkheid van het indienen van een zogenaamd pro forma beroepschrift onverlet liet.
Het vorenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof geen sprake is van een situatie als omschreven in art. 6:11 Awb Pro.
Tenslotte is het hof van oordeel, gelet op de inhoud van de brief van belanghebbende d.d. 9 september 2001, dat op het hoofd niet de verplichting rustte als bedoeld in artikel 6:15 van Pro de Awb.
De voorzitter heeft belanghebbende mitsdien terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
Op grond van het vorenoverwogene dient te worden beslist als volgt:
Het gerechtshof, uitspraak doende, verklaart het verzet ongegrond.
Gedaan op 12 april 2002 door mr Huiskes, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr De Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier en op die dag in het openbaar uitgesproken.
Op 17 april 2002 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.