ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0128

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
21 maart 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 00-00307
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kalsbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sanctie wegens onvoldoende rechts houden op snelweg

Betrokkene werd bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €180 opgelegd wegens het niet zoveel mogelijk rechts houden op de A9 te Amstelveen op 24 september 1999. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Betrokkene stelde in hoger beroep dat hij maximaal een kilometer niet de meest rechts gelegen rijstrook had gevolgd en dat dit niet in strijd was met de verkeersregels, vooral omdat het overige verkeer niet werd gehinderd.

Het hof oordeelde dat het feit dat het overige verkeer niet werd gehinderd niet betekent dat betrokkene niet in strijd handelde met artikel 3 RVV Pro 1990. De verbalisant had vastgesteld dat de rechtsgelegen rijstrook over een afstand van ongeveer 500 meter geheel vrij was, zonder omstandigheden die het niet rechts houden noodzaakten. Betrokkene's bezwaar tegen het politieoptreden en de terminologie in de beschikking werden eveneens verworpen.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en oordeelde dat betrokkene in hoger beroep voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt naar voren te brengen. De sanctie werd gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €180 wegens het niet zoveel mogelijk rechts houden op de autosnelweg.

Uitspraak

WAHV 00/00307
21 maart 2001
CJIB 29329723
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Amsterdam
van 17 juli 2000
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij brief van 31 oktober 2000 heeft de betrokkene zijn beroep toegelicht.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ? 180,= opgelegd ter zake van “niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg“ (feitcode R301), welke gedraging zou zijn verricht op 24 september 1999 te 19.00 uur op de A9 in de gemeente Amstelveen.
3.2. De betrokkene ontkent niet dat hij niet op de meest rechts gelegen rijstrook heeft gereden. Toch is hij van oordeel dat hem ten onrechte een sanctie is opgelegd, en wel omdat de verrichte gedraging niet in strijd is met de ratio van de overtreden bepaling, vooral nu niet gezegd kan worden dat het overige verkeer daardoor is belemmerd dan wel vertraagd.
3.3. Art. 3, eerste lid, RVV 1990 luidt:
Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.
3.4. De nota van toelichting bij art. 3 RVV Pro 1990 (Stb. 1990, 459, p. 93) houdt - onder meer - in:
Artikel 3 bevat Pro de basisregel ten aanzien van de plaats op de weg voor bestuurders. Zij houden op het voor hen bestemde weggedeelte zoveel mogelijk rechts. Wat onder "zoveel mogelijk" dient te worden verstaan, wordt bepaald door de concrete situatie. Ingeval een rijbaan is verdeeld in rijstroken zal ingevolge artikel 3 in Pro beginsel de meest rechts gelegen rijstrook moeten worden gevolgd. En is een weg verdeeld in meerdere rijbanen, dan zal in beginsel de meest rechts gelegen rijbaan moeten worden gekozen.
3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de omstandigheid dat betrokkene het overige verkeer niet heeft gehinderd of belemmerd niet meebrengt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met de ratio van de art. 3 RVV Pro 1990.
3.6. Betrokkene heeft voorts aangevoerd dat hij niet kilometers maar ten hoogste een kilometer niet de meest rechts gelegen rijstrook heeft gevolgd. Anders dan betrokkene kennelijk veronderstelt, is dit niet in strijd met hetgeen de verbalisant heeft geconstateerd. Het zaakoverzicht houdt immers als toelichting van verbalisant in:
“Ik zag dat de bestuurder de middelste rijstrook volgde, over een afstand van tenminste plm. 500 m. De rijstrook, welke rechts naast de gevolgde rijstrook was gelegen, was over die afstand geheel vrij van verkeer. Er waren geen omstandigheden die het niet zoveel mogelijk rechts houden noodzaakten.”
Het hof gaat er dan ook van uit, dat betrokkene overeenkomstig zijn eigen verklaring ten hoogste een kilometer niet de meest rechts gelegen rijstrook heeft gevolgd. Derhalve is thans niet meer van belang hetgeen de officier van justitie en de kantonrechter ter zitting van de kantonrechter volgens betrokkene over de afstand, waarover door hem de niet meest rechts gelegen rijstrook is gevolgd, zouden hebben gezegd.
3.7. Anders dan betrokkene kennelijk wil, sluit de omstandigheid dat – naar betrokkene stelt – het op vrijdagavond op de A9 bij Amsterdam spitsuur is en dat de weg dan niet “leeg” is niet uit dat – zoals de verbalisant heeft verklaard - in het onderhavige geval de rijstrook welke rechts naast de door betrokkene gevolgde rijstrook was gelegen, over een afstand van 500 meter vrij was.
3.8. Betrokkenes bezwaar tegen het optreden van de politie – de politie zou een “eigen” rijstrook opeisen en niet bevoegd zijn tot staande houden -, berust kennelijk op een onjuiste uitleg van het bepaalde in art. 3 RVV1990 en kan derhalve buiten behandeling blijven.
3.9. De door betrokkene aangevoerde omstandigheid dat in de kennisgeving van beschikking zou zijn gesproken van “onvoldoende rechts houden”, terwijl in de inleidende beschikking wordt gesproken van “niet zoveel mogelijk rechts houden”, heeft er klaarblijkelijk niet toe geleid, dat betrokkene zich tegen oplegging van de administratieve sanctie niet behoorlijk heeft kunnen verdedigen Deze omstandigheid staat derhalve niet aan de inleidende beschikking in de weg.
3.10. Anders dan betrokkene kennelijk veronderstelt, bepaalt de wet niet dat de kantonrechter het beroep moet behandelen binnen zes weken na het instellen daarvan.
3.11. Aan de omstandigheid, dat betrokkene tijdens de zitting van de kantonrechter niet de gelegenheid zou hebben gehad zijn standpunt behoorlijk naar voren te brengen, kan worden voorbijgegaan, nu betrokkene daartoe in hoger beroep wel de gelegenheid heeft gehad.
3.12. De beslissing van de kantonrechter dient, gelet op het vorenoverwogene, te worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.